Chapter 1: Een Patiënt
Chapter Text
Nooit heeft hij zijn leven helemaal begrepen. Hij heeft jarenlang gepoogd herinneringen, gebeurtenissen en impressies met elkaar te verbinden, een reis die moet eindigen met als doel de ontrafeling van het raadsel dat God is Alles heet. Het is hem nooit gelukt.
Vierenveertig is hij nu, hij leeft in het jaar 1957, thuis wachten zijn werk, zijn vrouw Margje en zijn zoon Ruben op hem. Gistermiddag heeft de toorn Gods hem getroffen, op zijn kwekerij aan de Arnhemsestraatweg in Velp. Terwijl de vuist van de Schepper woedde, zagen hij en Margje alles door het raampje van de stookkelder. “We zijn verloren!” riep hij tegen haar. “We zullen in het armenhuis belanden.” “Nee, nee!” zei ze met bevende stem. “We zijn toch verzekerd? Wat is gebeurd is afschuwelijk, maar het einde is het niet, en Ruben zit veilig op school. De onderwijzers zullen de leerlingen wel binnen houden tot de storm voorbij is.”
Aan zijn zoon had hij niet gedacht. De jongen was bijna twaalf, hielp ’s middags al ijverig mee in de kwekerij en was nergens bang voor. Erg goed waren zijn cijfers niet. Na de zomer zou hij in Dieren naar de ulo gaan, maar de bovenmeester had voorspeld dat dat te hoog gegrepen voor hem zou zijn. Ruben zou het nooit ver brengen in het leven. Wie zo beperkt was, miste de gave om God te vrezen. Iets om jaloers op te zijn, bedenkt zijn vader nu.
Toen de storm was geluwd gingen hij en Margje bij de volledig vernielde plantenkas kijken. Hij kon het niet verdragen, de glasscherven tussen de gesneuvelde violen en geraniums, het gescheurde zeildoek dat van de bak met de kalanchoës was gerukt. “Kom mee naar binnen, man, dan gaan we thee drinken”, besloot Margje. “En ik bel onze verzekeringsagent. Haal jij de polis even uit je bureaula? Het zal waarachtig wel goedkomen.”
Even later kwam Ruben thuis van school, verhit en nerveus. Hij huilde toen hij de kas vanuit het keukenraam zag. Toen liep hij naar buiten om naar het heesterveldje te kijken. Heesters zijn hersenloze planten, ze hadden het armageddon overleefd. “Niks opruimen, alles laten liggen totdat de verzekeringsagent de schade heeft opgenomen”, verordonneerde Margje.
Daarna keek ze haar man aan. “En ga jij morgen gewoon maar naar het ziekenhuis. Er is niets wat je kunt doen, ik red het hier wel in m’n eentje.”
Haar woorden en het verdriet van zijn zoon troffen hem op een plek waar niemand hem eerder had kunnen raken, zelfs zijn vader en zijn broeders niet. Niemand heeft hem nodig, oh, nou, één iemand, en diens aanwezigheid is niet bepaald verheffend.
Nu staat hij op de parkeerplaats voor het Diaconessenhuis in Arnhem, in zijn zondagse kleren en met een kartonnen koffer in de hand. Zijn buurman, die een auto heeft, heeft hem net afgezet. “Red je het verder wel, Hans? Nee, ik ga niet mee naar binnen, ik heb dadelijk nog een afspraak bij de notaris.”
Het is bijna tien uur, het tijdstip waarop hij zich bij de balie moet melden. Patiënt Johannes Sievez, geboren te Lathum op vijf februari 1913, met als diagnose een cyste in de linker knieholte.
Hij is nooit eerder geopereerd en kent ziekenhuizen alleen van de keren dat hij zijn stervende moeder mocht bezoeken en toen Margje, eerder dit jaar, na een miskraam was opgenomen.
Vandaag zal hij de ene zonde na de andere begaan. Het Diaconessenhuis is hervormd, verbonden aan een kerk waar enkel onwaarheden worden gepredikt. Hij wordt behandeld voor een aandoening die niet levensbedreigend is. “Een gaaf lichaam laten misbruiken in naam der wetenschap is een doorn in het oog van de Heere”, zeggen de broeders. “De Heere zendt beproeving en genezing zoals Hem dat goeddunkt. Wie dat niet aanvaardt, is verloren.”
Hij heeft hen nooit verteld dat hij zal worden geopereerd. Verzwijgen is hetzelfde als liegen, het is spotten met de wil van de Almachtige. Iets zegt hem dat hij het ziekenhuis niet levend zal verlaten. Hij hoopt het bijna.
Vijf voor tien is het, precies genoeg tijd om één sigaret te roken voordat hij naar binnen gaat. Hij steekt een Gold Flake op en kijkt rond. Arnhem is eigenlijk een mooie stad, denkt hij, en groot, hier zijn theaters en bioscopen en hogescholen, hier leeft het kwaad.
Om zijn gedachten te ordenen laat hij de ogenblikken van zijn leven aan zijn geestesoog voorbijgaan, als foto’s die hij maakt, tussendoor de lens bijstellend en dan weer het afdrukknopje bedienend. Klik.
Chapter 2: Eerste Afdruk
Summary:
De jeugdjaren van Hans Sievez.
Chapter Text
Zijn vader, een arbeider in de steenfabriek in Lathum. Altijd ontevreden. Betaald werk heeft hij alleen van april tot oktober, in de wintermaanden helpt hij de boeren bij de slacht. Zijn zoon, Hans Sievez, een jongetje dat het op school zo goed doet dat hij op woensdagmiddagen bij de bovenmeester een beetje Engels mag leren. Dat is nergens goed voor, vindt vader, die jongen komt later op de fabriek werken, hersens heeft ie niet.
Diensten bijwonen in de hervormde kerk, elke zondag. “De wegen Gods zijn soms moeilijk te volgen, maar Hij heeft het beste met ons voor”, zegt de dominee. Vader vindt het onzin. De gemeente wordt op een dwaalspoor gezet. Wie God wil begrijpen, moet meer zijn best doen, het mysterie doorgronden, want alleen dan zal de ware rijkdom zich openbaren. Moeder klaagt steen en been over de prijzen van kolen en turf en stoffen. Haar zoon moet in opgelapte kleren van zijn twee overleden oudere broers rondlopen, een schande. “Dat zijn maar aardse noden, vrouw”, zegt vader.
Dan, in het jaar dat Hans tien zal worden, de prediker die met zijn kleine gevolg in een aak de IJssel af is komen zakken. Een genootschap uit Emden in Oost-Friesland, dat ligt in Pruisen. Ze noemen zich vervolgden, nergens mogen ze een kerk stichten. Ze spreken heel aardig Nederlands. “De Heer heeft ons uit de steden en dorpen weggestuurd, zoals Hij indertijd met Mozes heeft gedaan. Wie een leven in de woestijn aanvaardt, verdorsting, ontbering, ziekte en dood, die zal op de Dag des Oordeels naast Zijn troon mogen staan.”
Vader bezoekt de bijeenkomsten die bijna elke avond op de aak worden gehouden. Hans moet mee. De preken zijn saai en onbegrijpelijk, maar vader drinkt elk woord in, brengt zelfs groenten uit de moestuin als geschenk mee. “Die waren voor in het vat, voor de winter!” zegt moeder boos.
“Aanvaard ons lot, vrouw”, geeft vader terug. “Alleen de armen zal de ware rijkdom van de goedertierenheid van de Heere deelachtig worden.”
Hans kan het niet helpen. Hij heeft de Heere lief, want Hij heeft alles geschapen, de bloemen en de planten, maar hij vindt stiekem dat goedertieren te veel als armetierig klinkt. En arm zijn ze, de familie Sievez. Margje van Renes zit bij Hans in de klas. Onder haar kraakheldere schortje draagt ze altijd een jurk van wol of ribfluweel. Haar vader is opzichter op de fabriek. Hans vindt haar het mooiste schepsel ter wereld, bijna net zo mooi als de Aston Martin van de Heer van Bingerden. ’s Nachts droomt hij dat hij het automobiel mag besturen en dat zij naast hem zit. Naar het einde van de wereld zullen ze rijden!
Als Hans twaalf jaar is, zegt de bovenmeester dat hij beslist toelatingsexamen voor de mulo moet doen. Moeder is in de wolken, maar ze huilt ook omdat er geen geld is voor kleren waarmee haar jongen zich na de zomer op de nieuwe school kan vertonen. Dat komt vader goed van pas. “Het jong blijft gewoon tot de achtste klas op de dorpsschool, en daarna gaat hij meteen op de fabriek werken, net als Piet en Dirk hebben gedaan.” Dat zijn twee oudste zoons daar zijn omgekomen bij een ongeval met een kiepkar weerhoudt hem er niet van zijn jongste kind naar dezelfde slachtbank te sturen.
Op een middag komt Hans thuis van school en vindt moeder bewusteloos op het pad tussen de groentebedden. Even later wordt ze op een draagbaar weggebracht en in de paardenkar van de buurman getild. Ze zullen haar naar het ziekenhuis in Doesburg brengen. Twee dagen later, de dag waarop hij toelatingsexamen had moeten doen, is ze dood. Ze wordt op het hervormde kerkhof in Lathum bijgezet, waar ze tot de Dag des Oordeels tussen de goddelozen moet liggen. “Hou eens op met dat gegrien”, bijt vader Hans toe. “Grote jongens huilen niet, die weten dat de wil van de Heere altoos rechtvaardig is.” Ze moeten het nu zonder haar redden. Klik.
Chapter 3: Tweede Afdruk
Summary:
De jaren van de jongvolwassen Hans in Den Haag.
Chapter Text
De kwekerij even buiten Den Haag waar Hans, twintig inmiddels, op goed geluk heeft gesolliciteerd en meteen als leerling-tuinier is aangenomen. Na zijn militaire dienst is hij uit Lathum gevlucht. Vader is ontslagen op de steenfabriek. Te oud. Te vaak weggebleven om de broeders te vergezellen die her en der in Gelderland hun diensten houden, in stallen en op stoppelvelden zoals de hagepredikers ooit hebben gedaan.
Hans Sievez is nu iemand. Hij heeft een kamer bij een hospita aan de Laan van Meerdervoort. Ze is weduwe, haar man was notaris, kinderen heeft ze nooit gehad. Ze verwent hem met lekkernijen en nieuwe kleren en boeken. Hij is ervan overtuigd dat ze van hem houdt. De liefde is niet wederzijds.
Een goed uitziende kerel is hij ondanks zijn nederige afkomst, een meter negentig lang, met iets golvend donkerbruin haar en helderblauwe ogen. Hij is niet naar Den Haag gekomen om zich er te vergooien. Hier wil hij een vak leren en sparen zodat hij met Margje kan trouwen. Haar vader is opzichter op de steenfabriek geweest, geen familie dus die hem met open armen als schoonzoon zal ontvangen. Margje heeft drie jaar op de mulo gezeten. Ze werkt nu op een kantoor. Hij zal goed gewapend voor haar ouders moeten verschijnen willen zij hun toestemming geven.
Op de kwekerij heeft hij ook zijn eerste beste vriend gevonden. Jozef Mieras is vierentwintig en een kind van het Westland, zwaargebouwd en sproetig na een jeugd tussen voedzame groenten, en net zo afkerig van het grote stadsleven als hijzelf.
Met Jozef kun je altijd plezier hebben. Op zaterdagmiddag of op zondag leent hij vaak ergens een fiets zodat ze met z’n tweeën tochtjes kunnen maken. Onderweg drinken ze koffie of limonade in cafeetjes, nooit bier of jenever. Jozef heeft altijd traktaatjes in zijn zak, pamfletten van geweldige predikers die de gevestigde kerken de rug toe hebben gekeerd. Hans leest en leest, wat er staat is hem al vertrouwd. “Na het eind van de Grote Oorlog heeft de mammon zich voorgoed in de westerse wereld gevestigd. Materiële rijkdom is als een verslaving, het leidt onherroepelijk tot verval. Aan eenieder die dit leest en door vertwijfeling is verslagen zeggen wij: Heft u op, volgt ons!”
“Die kerels laten zich dikwijls met een taxi van Nijkerkerveen naar Krimpen aan den IJssel chaufferen, om maar eens een afstandje te noemen”, grinnikt Jozef als ze op een warme middag op een dijk bij Schipluiden in het gras liggen. “Ik zou gewoon de trein hebben genomen, dat scheelt weer. Dan heb je ook meer over om aan de armen te doneren.”
Hij haalt een zak spritsen en een fles grenadine uit zijn fietstas. “Laat het je smaken, Hansje.”
Jozef is een ware vriend. Koek en limonade kent Hans alleen van de sporadische bezoeken aan zijn tante in Doesburg, van de rijke kant, haar man handelde in paarden en wagens. Inmiddels verdient hij zelf ook, niet veel, het meeste gaat op aan de huur van zijn kamer. “Ik zou drie gulden per maand van de prijs afhalen als je…” heeft zijn hospita hem na twee glaasjes advocaat eens bekend. Nee, nooit. Ze is in de zestig. Hij is van plan om met Margje te trouwen.
Hij heeft het aan Jozef verteld. “Babylon, Babylon!” heeft deze toen gezegd. “Ga ergens anders wonen, of ik vraag mijn huurbaas of hij een extra bed in mijn kamer zet. Dat zal hij niet erg vinden.”
Jozef Mieras is niet verloofd, heeft naar eigen zeggen nooit ook maar een meisje gekust.
Nee, bij hem intrekken is geen goed idee, want dan…Klik.
Chapter 4: Derde Afdruk
Summary:
Hans bezoekt zijn geboortedorp.
Chapter Text
Het is mei. De laatste bloesems waaien van de bomen. De lucht is gevuld met de kreten van de gierzwaluwen. Dit heeft hij in Den Haag gemist.
Vierentwintig is hij nu, hij heeft wat certificaten aan de tuinbouwschool in Boskoop gehaald. Met iets op zak dat je een diploma kunt noemen is hij naar Lathum gereisd om vader te bezoeken. Nu kan het, want hij is als tuinder aan het werk in de kwekerij, dus vader kan hem niet dwingen om weer in het huisje aan de dijk te gaan wonen.
Het is middag, hij is net even bij vader aangeweest. De oude man leeft nog van de steun, maar hij slacht af en toe nog clandestien om een centje bij te verdienen. Veel geld hoeft hij toch niet uit te geven. De buurvrouw komt hem elke avond pannetjes met eten brengen en blijft dan langer bij hem zitten dan nodig is. Ze is sinds drie jaar weduwe, haar zoons zitten op de grote vaart. Op de tafel heeft Hans een kruik jenever zien staan.
“Woont u de preken van de broeders nog bij, vader?” heeft hij voor de vorm gevraagd.
“Nee, het begon me de keel uit te hangen, en hun leider is vorig jaar in het gevang gezet. Ik zou niet weten waarom. Je ziet er als een echt stads heertje uit, mijn jongen, je boert goed in Den Haag. Heb je tabak voor je arme oude vader meegebracht?”
Nee, dat heeft Hans niet gedaan, en zo is hij nu op weg naar de dorpskom om een zakje tabak te kopen. Het is onzinnig. Hier rookt men eigen teelt.
Als hij voor het dorpswinkeltje staat durft hij niet naar binnen. Hij is bang voor de vragen die mensen hem gaan stellen. Of hij in Den Haag is getrouwd, of hij een goede betrekking heeft gevonden.
Bij de stoep stopt een glanzende donkerrode Packard, een monster van chroom, lak en spiegelend glas. Er stapt een man van in de veertig uit, gekleed in een lichtgrijs pak en een roomwitte panamahoed. Hij houdt het portier bij de achterbank open. Een meisje van een jaar of zeven springt op de stoep en kijkt guitig rond. Ze heeft witleren schoentjes en gehaakte kousjes aan. Haar blonde krullen zwiepen alle kanten op.
“Jongeman, wil je even op mijn wagen passen?” vraagt de bestuurder. Nu herkent Hans iets in de vreemdeling, bepaalde gelaatstrekken die hij eerder heeft gezien. Deze heer moet familie van de Heer van Bingerden zijn, wiens landgoederen van de Duitse grens tot het terrein van de Lathumse steenfabriek lopen.
“Jazeker, meneer”, zegt Hans. De man drukt het meisje een paar centen in de hand. “Ga jij maar wat snoep in het winkeltje kopen. Ik moet even op het postkantoor zijn, ik ben zo weer terug.”
Het meisje huppelt naar binnen. Hans blijft bij de auto staan.
Na enkele minuten komt ze naar buiten met een grote zak ulevellen. Ze propt een handvol in haar mond, kauwt, zuigt, slikt. Walgend wendt hij zijn blik af.
Even later steekt de man de straat over en gebaart dat ze moet instappen. Ze gehoorzaamt.
Nu kijkt hij Hans aan. “Je komt me bekend voor”, zegt hij. “Ben jij niet een van die jongens van Sievez?”
“Ja meneer, de jongste. Mijn twee oudere broers zijn niet meer in leven.”
De man knikt en vist dan een gulden uit zijn zak. “Alsjeblieft. Je hebt immers op mijn wagen gepast.”
Hij heeft zijn hoed in zijn andere hand. Zijn haar is donkerblond en gepommadeerd. Vanachter ovale brillenglazen kijken twee grijze ogen Hans minzaam aan. Een hele gulden heeft hij hem gegeven voor een dienst die hooguit een stuiver waard is. De mammon. De bijbedoelingen die achter deze schijnbaar onschuldige geste schuilen. Een afgezant van het veelkoppige monster dat de Hoer van Babylon heet.
“Bedankt nog, goedemiddag.” De man gaat achter het stuur zitten en start de wagen. Het meisje heeft haar gezicht tegen de ruit van het achterportier gedrukt. Ze steekt een tong naar Hans uit, geel en groen van de ulevellen. Dan rijdt de Packard weg.
Hij kan noch wil terug naar het huisje aan de dijk. In het winkeltje koopt hij twee ons fijne tabak en zegt dat het bij zijn vader moet worden bezorgd. Dan loopt hij naar de bushalte om naar het station van Arnhem te reizen. Als alles meezit, is hij vanavond rond acht uur weer in Den Haag. Klik.
Chapter 5: Vierde Afdruk
Summary:
Hans en Margje maken plannen voor de toekomst.
Chapter Text
Ondanks de treurige gelegenheid is Margje gekleed als een stads dametje dat wil behagen. Onder haar zwarte wollen overjas draagt ze een donkerblauwe jurk met een grote witkanten kraag, vleeskleurige kousen en schoenen met een hakje en bandjes over de wreef. Aan haar arm bungelt een witleren tasje.
Met een elegant sprongetje gaat ze nu op de gemetselde rand van het waterbassin staan. Na de eerste herfstregens is het volgelopen. Er drijft een dode kauw in. Hans steekt een sigaret op en kijkt rond. Het land om hen heen is volkomen verwilderd. Er liggen vermolmde kratten, repen halfvergaan afdekzeil en hopen bijeengeharkt tuinafval. In het midden rijst een van hout en asfaltpapier opgetrokken schuurtje op. “Daar kunnen we wonen totdat het grote huis beschikbaar wordt”, zegt Margje. “We zullen flink moeten aanpoten, maar de eigenaar vraagt maar zesduizend gulden voor het hele kavel. Zo’n kans krijgen we zo snel niet meer.”
Hij heeft die ochtend zijn vader begraven. De oude man is op het hervormde kerkhof bijgezet. Hij weet niet of de broeders in de streek nog hun diensten houden. Het kan hem niet schelen.
Margje heeft de rouwdienst bijgewoond, als oud-klasgenote van hem mag ze dat. Hij vindt wel dat ze zich voor de gelegenheid wat minder had moeten optutten. Dan beseft hij dat ze iets aan het vieren is.
Vader noemde haar familie een stelletje omhooggevallen rooie rakkers, hoewel ze steevast op christelijke partijen stemmen. Nu hij er niet meer is, staat niets hun voorgenomen huwelijk meer in de weg.
“Hoeveel heb jij gespaard?” vraagt Hans.
Ze springt van de bassinrand af en pakt zijn hand. “Duizend gulden maar. Dat kantoorbaantje betaalt niet goed en ik moet de helft van mijn loon thuis voor kost en inwoning afgeven.”
Hij voelt een glimlach op zijn gezicht. “Ik heb drieduizend.”
“Laten we dat bedrag dan als aanbetaling overmaken”, vindt ze, “en doorwerken tot we de resterende tweeduizend bij elkaar hebben.”
Hij denkt aan Den Haag, waar hij die avond weer zal zijn, de stad die hem tegenstaat, en aan de kamer die hij nu in de Schilderswijk huurt. Eén straat bij zijn beste vriend vandaan. Geen verliefde hospita meer, maar een huisbaas die het geïnde huurgeld meteen in jenever omzet. De pest van de tijd. Van steungeld kan een mens tegenwoordig niet meer dronken worden.
Als hij die avond op Hollands Spoor is uitgestapt, komt Jozef Mieras op hem aflopen.
“Hoe wist jij dat ik er vanavond al weer zou zijn?”
“Een voorgevoel”, zegt zijn vriend. “Kom, laten we aan het stationsbuffet een kop koffie drinken. Daar zul je van opknappen. Het moet toch hard zijn. Iedereen heeft maar één aardse vader, en die te verliezen is smartelijk.”
Ze drinken koffie en stappen dan op de tram. Zo laat op de avond zijn er bijna geen passagiers meer.
Jozef grijpt Hans’ hand. “Laten we naar mijn kamer gaan, dan zal ik thee voor je zetten. Ik heb van de week een paar nieuwe traktaatjes weten te bemachtigen. Getuigenissen van gewone mensen die Christus hebben gezien.”
Hans denkt aan hoe Margje er vandaag uitzag, en aan de mammon die hij nu moet vereren om zijn eigen kwekerij in Velp te kunnen beginnen. Hij kijkt in Jozefs bruine ogen. Knap is zijn vriend niet, hij heeft ook ergerlijke zweethanden, maar een vriend is hij.
“Ja graag”, zegt Hans dan. Klik.
Chapter 6: Vijfde Afdruk
Summary:
Hans Sievez als jonge kwekerijhouder.
Chapter Text
“Het werk mijner handen, bevestig dat”, zingt hij vaak zachtjes als hij in zijn tuin aan het werk is. Hij woont hier inmiddels al een jaar. De zaak loopt nog niet. De kas is nog in aanbouw, en dus heeft hij zich toegelegd op heesters, dennen voor Kerstmis en andere wintervaste planten. Alles moet hij alleen doen, want Margje komt maar een of twee keer per week langs om de administratie te regelen. Ze zijn al een jaar getrouwd, maar ze komt pas op de kwekerij wonen als hun kind is geboren.
Hij heeft net vier van de tien heesters uitgegraven die een huiseigenaar verderop in de straat heeft besteld als er geritsel vanuit de struiken bij de omheining weerklinkt. Een man in een zwarte overjas werkt zich door de bladeren heen en komt dan op hem aflopen, zwetend ondanks de kilte van de late herfst. Zeker heeft hij op het station van Arnhem een fiets gehuurd en is hij het hele eind de heuvel opgereden. Ze geven elkaar een hand. “Mooi stukje grond, Hans”, zegt Jozef. “Je woont hier in Gods eigen natuur.”
“Ja”, zegt Hans. Hij kijkt naar de koffer die zijn vriend meezeult. Het ding is zo volgeladen dat het bijna uit de voegen barst.
“Wil je koffie?” vraagt Hans. “Ik heb alleen mout, echte bonen zijn op ’t ogenblik te duur.”
“Water graag”, zegt Jozef terwijl hij op een omgekeerd vat gaat zitten en zijn koffer opent.
Er blijken boeken in te zitten, heel oude zo te zien, en net zo muf ruikend als degene die ze heeft meegebracht. Een exegese van Thomas à Kempis, een vertaald werk van Huldrych Zwingli.
“De broeders houden nu diensten in Lunteren”, legt Jozef uit. “Vanavond weer. Kom mee, ik betaal wel voor je spoorkaartje.”
“Ik kan hier niet weg. Mijn vrouw verblijft bij haar ouders in Lathum, ze kan elk moment bevallen.”
“Lunteren is niet ver. Heb je hier telefoon?”
“Nee, nog niet.”
“Dan kunnen ze je toch niet bellen als het grote ogenblik gekomen is. Ze is toch in goede handen, nietwaar? Kom mee. Onderweg eten we wel wat broodjes in een stationsrestauratie. Deze twee werkjes kosten bij elkaar vijfentwintig gulden. Een investering in de toekomst.”
Hans betaalt en verdwijnt dan in het schuurtje, dat nog steeds zijn woning is, om zich voor de reis om te kleden. Als ik nee had gezegd, zou Margje een ongezond kind baren, denkt hij. Dan volgt hij Jozef naar de bushalte aan de Arnhemsestraatweg. Klik.
Chapter 7: Zesde Afdruk
Summary:
Het armageddon op de kwekerij.
Chapter Text
En dan gistermiddag. De hele morgen heeft het al gewaaid, maar de hemel is helder gebleven. Hij en Margje hebben kratten met gloxinia’s en geraniums in het bestelautootje van een klant geladen, afval naar de composthoop gebracht en tussen de middag bloemkool met saucijzen gegeten. Daarna hebben ze de sierdruiven in de kas met spiritus en zeepsop besproeid, want er zit een hardnekkig soort luis in dat tegen alle andere middeltjes bestand is. Ook hebben ze her en der schalen met bier in hun moestuin gezet, want hoewel het nog geen zomer is, zijn de vraatzuchtige slakken talrijker dan ooit.
Waar doen we het voor, heeft hij dikwijls gedacht, alles wordt hier door Gods schepsels opgevreten, er valt niet tegenop de bestrijden. De rekeningen voor de cokes waarmee de kas warm wordt gestookt zijn nog steeds niet betaald. Als God ons nu eens van onze leveranciers verloste en brandhout van de hemel neer liet regenen, dat zou geweldig zijn, is het door hem heengegaan.
Even na drieën betrekt de lucht ineens. Het gezang van de vogels verstomt. De regen komt, aarzelend eerst, maar dan wordt het binnen een minuut aardedonker. Er jagen bliksemschichten langs de hemel. “Snel, naar de stookkelder!” roept hij tegen Margje. Hij weet dat het te laat is, dat wat zo hard op zijn hoofd en schouders neerkomt geen waterdruppels maar hagelstenen zijn.
Vanuit hun schuilplaats kunnen ze de venijnige tikken horen, die aanzwellen tot een spervuur dat hem aan het gebrul van het afweergeschut op de hei in het laatste oorlogsjaar doet denken. De ruiten van de kas begeven het geluidloos, buigen zonder weerstand voor de toorn Gods.
Hij bidt, wetend dat de Schepper, de Vernietiger, hem niet zal horen. Hij begrijpt dat de straf die hij en Margje in het voorjaar hebben moeten ondergaan, het doodgeboren vijfmaandskindje, Hem niet genoeg was. Het werk hunner handen, bevestigd zonder garantie, gaat nu ten onder.
Zo snel als de hagelbui gekomen is houdt ze ook weer op. Het onweer trekt verder naar het zuiden. Tussen de wolken is alweer wat blauwe lucht te zien. In het oosten tekent zich een regenboog af.
Als ze de stookkelder hebben verlaten en tussen de glasscherven op het pad staan, zegt Margje: “Die geloofsbroeder van je, die was gisteren weer aan het hek toen jij die bestelling voor De Moor aan het bezorgen was. Ik heb hem weggestuurd.”
“Had je hem geen kop koffie kunnen aanbieden?”
“Hij heeft al genoeg van ons gekregen. Die boeken die ik in de gifkast bij de kas heb gevonden, die heb jij van hem gekocht. En dan heb ik het niet eens over wat je sinds Rubens geboorte aan spoorkaartjes hebt uitgegeven om die clandestiene diensten van dat onsmakelijke tuig bij te wonen. Op de avond dat Ruben werd geboren was je niet thuis omdat je had besloten naar Lunteren te gaan! Ons geld, verkwanseld. Geld dat we hadden gespaard om Ruben ervan naar de ulo te kunnen sturen.”
“Dat jong wil niets leren. Ik had hem het liefst tot de achtste klas op de lagere school gehouden zodat hij daarna meteen hier aan de slag kon gaan.”
“Zoveel werk heb je hier niet omhanden dat je hem als extra kracht nodig hebt. En de tijden zijn veranderd. Ik hoop dat hij na de ulo op de mulo kan doorleren.”
Jij en je eeuwige ambities, wil hij zeggen, moet je je zo aan je eigen zoon optrekken omdat ons lang gekoesterde dochtertje dood is geboren? Wat kan mij de toekomst van mijn jongen schelen? Die komt er toch wel, net als ik indertijd, en ik had geen moeder die me achter de vodden zat.
Nu trapt Margje wat glasscherven weg. “Kijk eens wat jouw Heere met ons heeft gedaan. We zijn verzekerd, maar we krijgen nooit het hele bedrag uitgekeerd dat we nodig hebben voor een nieuwe kas. Ik spuug op jouw Heere, Hans, ik spuug erop!”
Hij kijkt in haar verwilderde bruine ogen. Met haar verwaaide haar en haar nette schort ziet ze er vastberaden en aandoenlijk uit. Hij denkt aan de nachturen waarin ze alleen elkaar toebehoren, een luxe waar ze van genieten sinds Ruben ouder is en vaster slaapt. Hij houdt van haar, hij houdt van zijn zoon, maar allebei zullen ze nooit van hem zijn, omdat ze niet begrijpen wat hem beweegt. Hij is vanmiddag in de diepste afgrond afgedaald. Zij staan alleen maar op de rand en kijken naar beneden terwijl hij door het vuur van de zonde wordt verteerd.
“Ik zal de afspraak in het ziekenhuis afbellen”, besluit hij, in de hoop dat het de Heere zal behagen. “Dit hier is toch wel een heel geldige reden.”
Ze schudt haar hoofd. “Nee, ga maar. Ruben en ik redden het wel.” Ze kijkt op haar horloge, “Halfvier. Hij kan ieder ogenblik terug zijn uit school. Ik ga zijn brood klaarzetten.”
Ze loopt naar het grote huis, waar ze sinds de geboorte van hun zoon wonen en waar ze huur voor moeten betalen, want ze hebben geen geld om het te kopen.
Waarom denken vrouwen bij elk onheil het eerst aan hun kinderen, vraagt hij zich af. Hij weet dat er nu iets is gebroken, iets dat niet met verzekeringsgeld heropgebouwd kan worden. Morgen moet hij in Arnhem onder het mes. Hij zal na de ingreep niet uit de narcose ontwaken. Weldra zal hij niet meer wakker hoeven te liggen van onbetaalde rekeningen. Dan zal alles volbracht zijn.
“Dank u, Heere”, zegt hij zachtjes. Dan gaat hij op een bankje bij het bassin zitten en steekt een sigaret op. Klik.
Chapter 8: Ziekenhuis
Summary:
Hans meldt zich voor zijn opname.
Chapter Text
Hij kijkt op zijn horloge en dan naar de grond. Het is vijf over tien. Hij heeft al mijmerend niet een, maar drie sigaretten gerookt. De peuken liggen aan zijn voeten. Tijd om naar binnen te gaan.
Aan de balie in de hal zit een jonge man, blond, met een bril met ovale glazen. Zijn witte jas is open, eronder draagt hij een onberispelijk gilet en een hemd met een gesteven boord en een das met een speldje. Om zijn nek hangt elegant een stethoscoop met vergulde uiteinden. Dit is geen ziekenzuster, maar een ziekenbroeder. Broeder. Het woord bezorgt Hans huiveringen.
“Goedemorgen”, zegt hij, terwijl hij zijn verzekeringskaart op de balie legt. “Mijn naam is Sievez, ik meld me voor mijn operatie.”
De jonge man kijkt op en glimlacht met roze lippen. “Mijn naam is Van Bingerden, en ik doe geen inschrijvingen. Ik zal zuster Ada even voor u roepen.”
“Het spijt me dat ik me heb verlaat. Ik had hier om tien uur moeten zijn, maar ik had wat oponthoud met de taxi en…”
“Dat hindert niets, meneer. Ik moest hier alleen naar een dossier zoeken, ik ga nu de zuster halen.”
De man loopt weg met een ordner in zijn handen. Er verschijnt een oudere vrouw, met streng opgestoken haar onder een gesteven kapje. “Naam?” vraagt ze.
“Sievez, Johannes, ik ben hier voor…”
“Vierde verdieping. Gaat u daar maar in de wachtkamer zitten totdat de hoofdzuster u komt halen.”
Hij schuifelt naar de lift zonder over zijn schouder te kijken.
Enkele uren later is het volbracht. Hij ligt nu op een ziekenkamer. De hele ingreep, zo heeft de chirurg van dienst hem verteld, heeft maar tien minuten geduurd. Ze hebben de hele cyste kunnen verwijderen. Zijn knie is ingezwachteld. Een vage pijn zegt hem dat er onder het gaas een behoorlijk litteken zit en dat hij nog enigszins verdoofd is.
“We moeten even afwachten of de hechtingen niet gaan ontsteken”, zegt de vriendelijke zuster. “Maar het ziet er goed uit. Als dat zo blijft mag u over drie dagen naar huis. Is dat niet fijn?”
Ze klinkt als een moeder. Hij wil dat ze aan zijn bed gaat zitten en hem wat gezelschap houdt. Maar ze heeft het druk en vertrekt. Hij blijft alleen achter.
Die avond komt een zaalarts inspecteren. Het is de jongeman die hij die ochtend aan de balie heeft gezien. “Het is mooi gehecht, meneer Sievez”, zegt hij als hij Hans’ knie heeft bekeken. Het klinkt als “Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.” Ze grijnzen allebei.
“Hoe voelt u zich nu?” vraagt de dokter als hij op het krukje bij het bed is gaan zitten. “Pijn? Misselijkheid wellicht?”
“Nee, dokter, ik heb vanavond twee boterhammen met kaas kunnen eten.”
“Ik ben nog geen dokter, hoor. Ik loop hier mijn assistentschap. Over twee dagen heb ik dat afgerond en dan moet ik in Utrecht examen afleggen.”
“Dus u studeert in Utrecht?”
“Ja.”
“Moet u dan elke dag heen en weer reizen met de trein? Het is me nogal een eind.”
De jongeman glimlacht. “Nee, ik logeer zolang bij mijn ouders in Lathum.”
Hans denkt na. Van Bingerden, zo heet deze dokter in spe. Nu ziet hij ook dat de man een zegelring aan zijn linkerhand draagt. Een jonkheer vermoedelijk.
“Bent u familie van de Heer van Bingerden?” Hans voelt zich een stumper omdat hij niet weet of de eigenaar van het landgoed een graaf, een baron of iets anders is. De familie is rooms, en hem is van kindsbeen af ingeprent om katholieken te negeren omdat ze aan heiligenverering doen. Afgoderij.
“Graaf van Bingerden was mijn grootvader. Mijn vader zwaait er nu de scepter. Niet voor lang meer, hij wil de bedoening aan mijn oudste broer overdragen.” Het klinkt alsof het om een boerderij gaat.
“Toen ik vierentwintig was heb ik eens op een Packard mogen passen”, zegt Hans. Het verbaast hem dat hij zich dit nog herinnert. “De heer die erin reed had hem bij de kruidenierswinkel in Lathum neergezet. Hij moest op het postkantoor zijn. Er was een blond meisje bij dat ulevellen kocht, een hele zak vol.”
Van Bingerden lacht. “Dat moet mijn jongere zuster zijn geweest, zij is blond. En papa reed ooit in een Packard, dat weet ik nog.”
De man aan het stuur, zo knap, zo edel. Dat akelige kind dat haar tong uitstak. De verwarring waarin hijzelf die middag naar Den Haag was teruggereisd. Jozef Mieras aan het station daar. “Daar ben je dan, ik wist dat je zou komen, het was een voorgevoel.” Die avond had Jozef hem walgelijker dan ooit toegeschenen.
Van Bingerden staat op en geeft hem een hand. “Ik moet gaan. Welterusten, meneer Sievez.”
Chapter 9: Recreatiekamer
Summary:
Hans heeft een gesprek met de jonge zaalarts.
Chapter Text
De dag daarop verloopt kalm. Hij mag het bed nog niet verlaten, niet eens om naar het toilet te gaan. De zuster heeft, net als gisteren, met Margje getelefoneerd en verteld dat hij het goed maakt. Margje heeft beide keren hartelijke groeten gestuurd, ook namens Ruben. Ze kan hem niet komen bezoeken omdat de verzekeringsagent nog langs moet komen om de schade op te nemen.
Hij begrijpt het. Als ze het echt had gewild, had ze alles op alles gezet om hem hier te zien. Ruben neemt hij niets kwalijk, die jongen moet immers naar school en ’s middags in de kwekerij helpen.
Het ziekenhuis heeft een bibliotheek, maar hij heeft niet om een boek gevraagd. Nog half versuft van de verdoving leest hij wat in de bijbel die hij in het nachtkastje heeft gevonden. Genesis. Adam en Eva, naakt in het paradijs, dat ze pas als zodanig zagen toen ze eruit waren verbannen. Weggestuurd omdat ze te veel te weten waren gekomen. Afvalligen in de ogen van de Heere, die geen concurrenten duldt.
Exodus. De vrouw van Potifar die Jozef probeerde te verleiden. Hij heeft ooit een afbeelding van een schilderij van deze scène in een artistiek blad bekeken. De vrouw, naakt in haar bed, haar borsten aan de onschuldige jongeman tonend. Jozef had nee gezegd, haar man had dat niet geloofd en hem in het gevang gezet. Jozef – Jozef Mieras, de man die nog nooit een meisje heeft begeerd. Niet aan denken.
Het Hooglied, verboden gebied in de ogen van de broeders. “Sterk mij met rozijnenkoeken, laaf mij met brandewijn, ik ben dronken van liefde…Hij bracht mij naar zijn vertrekken, mijn koning!” De hinde op heuvels vol balsemkruid. Was Salomo een mooie man? Allicht, hij had maar liefst duizend vrouwen. Salomo, die zelfs de koningin van Sheba beminde in een paleis vol pronkstukken.
Hij denkt aan zijn eigen kwekerij aan de Arnhemsestraatweg in Velp, te ver buiten de dorpskom om nog mee te tellen, a dead-end street zoals de Engelsen zeggen. De pronkstukken waren de violen geweest. De violen zijn dood, verpletterd, vermorzeld.
Na de avondboterham komt Van Bingerden de ziekenzaal binnen. Hij maakt een praatje met elke patiënt, sust, voert slokjes water, legt zijn stethoscoop aan. Dan, eindelijk, staat hij aan Hans’ bed.
“Ah, meneer Sievez, u ziet er best uit. Heeft u pijn?”
Nee, pijn heeft Hans niet. Hij voelt zich alleen stijf van het lange liggen. Hij is het niet gewend.
Snel haalt Van Bingerden ergens een rolstoel vandaan. “Komt u maar, leunt u maar op mijn schouder, voorzichtig…Hupsakee, daar gaan we dan.”
De jonge arts rijdt hem naar de recreatiekamer voor de rokers, die zo kort voor bedtijd helemaal verlaten is. Hij biedt Hans een Egyptische sigaret met een verguld mondstuk uit een vergulde koker aan. Ze roken een tijdje zwijgend.
“U zult binnenkort examen doen”, zegt Hans om maar iets te zeggen.
“Volgende week”, zegt Van Bingerden. “Ik zie er als een berg tegenop. Een hoofd om te studeren heb ik nooit gehad. Maar ik moest, van mijn ouders. Ons gezin leeft volgens katholieke tradities. Mijn oudste broer heeft zonder er veel voor te moeten doen zijn doctoraal rechten in Leiden gehaald. Hij zal vader opvolgen. De tweede zoon is priester geworden. Mijn oudste zus is met een graaf uit de familie Von Bentheim getrouwd, de tweede zuster is nu in een Ursulinenklooster in Stein, en de jongste, die van die ulevellen, geeft pianoles en wacht tot ze ten huwelijk wordt gevraagd. Dat zal nog lang duren, ze heeft nogal socialistische ideeën, niet bepaald wat een adellijke man behaagt…Tja, als de eerste zoon de heer van het landgoed wordt en de tweede kapelaan, dan moet nummer drie natuurlijk voor arts leren.”
“Dat is toch heel niet slecht? Mijn zoon gaat na de zomer naar de ulo in Dieren, ik mag al blij zijn als hij daar een diploma haalt.”
De jonkheer knikt met droevige ogen. “Uw zoon komt er wel. Ik niet. Mijn ouders willen dat ik me specialiseer, maar ik zal het nooit verder brengen dan huisarts, waar ik overigens niet wakker van lig. Naar Lathum teruggaan wil ik niet. Ik ben in conference met wat praktijken in de omgeving van Utrecht om te zien of ik me daar niet kan inkopen. In Baarn of Soest wil ik me overigens niet vestigen, daar wonen me te veel griezels die niet naar een gewone dokter willen als ze ziek zijn. Antroposofen, theosofen, adventisten, die geloven dat alleen hun God genezing kan brengen.”
Dan verduistert zijn gezicht. “Excuseert u mij, meneer Sievez. Ik heb ooit gehoord dat uw vader een volgeling van dat genootschap uit Emden was.”
“Mijn vader, niet ik”, zegt Hans.
Van Bingerden lacht. “U staart steeds naar mijn sigarettenkoker. Wilt u er nog een? Go ahead, help yourself.” Met het air van een jonkheer gesproken. De handen die het kleinood vasthouden zijn als die van een tennisser, niet die van een geneeskundige.
“U zult met vlag en wimpel slagen”, zegt Hans nadat Van Bingerden hem vuur heeft gegeven.
“Dank voor uw vriendelijke woorden, maar de werkelijkheid is anders…Ach, het spijt me, ik moet nu gaan. Papa’s chauffeur wacht zeker al bij de ingang.”
“Tot morgen dan, meneer.”
De jongeman staat op, moeizaam, oud. “Dan ben ik hier niet meer. Morgen moet ik mijn koffers pakken en overmorgen reis ik terug naar Utrecht…Oh, ik zal niet meteen op mijn kamer gaan zitten om voor mijn examen te blokken. Eerst ga ik nog met mijn studiemakkers iets drinken in De Trekschuit. Leren lukt me alleen als ik een beetje beneveld ben…Het ga u goed, meneer Sievez.”
Ze geven elkaar een hand. Van Bingerden loopt de kamer uit met gebogen hoofd, een vage geur van lelies en verbena achterlatend.
Chapter 10: Station
Summary:
Hans verlaat het ziekenhuis.
Chapter Text
Hij is een dag eerder dan verwacht uit het ziekenhuis ontslagen. Na het ontbijt heeft de zuster hem aangekleed en twee krukken aangereikt. “Die zijn van het Groene Kruis, kunt u ze terugbrengen zodra u weer gewoon kunt lopen? Hier is het uitleenbewijsje, goed bewaren hoor.”
Strompelend is hij naar de bushalte gelopen en naar het station gereden. Daar heeft hij de krukken in de toiletten achtergelaten. Nu kijkt hij naar het bord met de vertrektijden. De stoptrein naar Zutphen vertrekt over tien minuten. Die moet hij hebben. Op het station in Velp kan hij de buurman bellen, die hem zal kunnen ophalen.
Over twintig minuten vertrekt de sneltrein naar Amsterdam. Die stopt alleen in Ede, Zeist en Utrecht. Hij koopt een kaartje en hijst zich dan moeizaam de trap naar het juiste perron op.
Er staat een kille wind. Hij rilt in zijn regenjas, vindt in zijn zak nog een pakje Gold Flake, steekt er een op en kijkt rond. Veel mensen zijn er na het ochtendspitsuur niet op het perron te vinden. Hij herkent hem dan ook meteen. De man in de zwarte overjas. “Je vergist je, Hans, als je naar Velp moet, sta je bij het verkeerde spoor. Kom, ik help je de trap wel af. Wat kijk je vreemd, is er iets?”
“Hoe wist je dat ik hier zou zijn? Een voorgevoel?”
“Ik heb gisteren je zoon op de kwekerij gesproken. Je vrouw was niet thuis. Hij vertelde me dat je in het Diaconessenhuis lag en dat je vandaag zou thuiskomen.”
Hans ademt in en uit. De zweetlucht van de ander. De muffe stank van de boeken die hij altijd meezeult. Het Woord voor een tientje, een vriendenprijsje, rijkere mensen zet Jozef meer af, zo hoort het, dit is een handelsnatie.
“Ik ga aansterken bij een vriend in Bunnik.”
“Je hebt geen vrienden in Bunnik, anders had ik het wel geweten. Je tuin is een puinhoop na die hagelbui. Loop je weg voor je eigen zaak?”
“Ik ga naar Bunnik, punt.”
“Je gaat niet. Je hinkt. Je hebt tegen de broeders gelogen. Ten eerste heb je je laten opereren, ten tweede heb je je verzekering nooit opgezegd, want ik heb gisteren zo’n kantoorhannes de schade aan je kas zien opnemen. Twee keer heb je je tegen de wil van de Heere verzet…”
“Drie keer is scheepsrecht”, zegt Hans. En waarachtig, Jozef laat even zijn masker vallen en laat een flauwe glimlach zien.
“Ga met mij mee naar Den Haag als je zo nodig even van huis wilt zijn. Ik zal de huurbaas wel vragen om een extra bed in…”
“Vergeet het, jongen. Ik ga niet met je mee.”
Nu rijdt de sneltrein binnen en stopt met gierende remmen. De deuren zwaaien open. Er stappen weinig passagiers uit. Hans hijst zich op een treeplank en deponeert zijn koffer op het balkon.
Jozef springt lenig de trein in en landt naast hem. “Dat treft, deze stopt in Utrecht, daar moeten we toch overstappen naar Den Haag.”
“Ik ga niet met je mee.”
Een conducteur blijft bij ze staan. Hans toont hem ongevraagd zijn biljet. De man knikt.
“Ik heb alleen een perronkaartje, meneer”, zegt Jozef. “Zodra we rijden wil ik bij u wel een enkele reis naar Den Haag kopen.”
“Hij heeft geen geld, meneer,” lacht Jozef. “En ik kan het niet voorschieten. Dat is jammer.”
“Dat is een zaak tussen meneer en mij”, grijnst de conducteur.
“Hij valt me lastig”, zegt Hans. “Hij zit de hele tijd achter me aan.”
“En dat moet ik geloven? Bent u soms een zestienjarige blonde schoonheid in een donker steegje?”
“Hij probeert me naar Den Haag te ontvoeren. Waarschuwt u alstublieft de spoorwegpolitie, deze man is ontoerekeningsvatbaar.”
De conducteur stapt uit en geeft de machinist in de locomotief een teken met zijn signaalordje. Dan blaast hij op zijn fluitje. “Eruit”, zegt hij tegen Jozef. “Eruit. U heeft alleen een perronkaartje.” Jozef blijft staan.
“Hoor je niet wat ik zeg, debiele reus? Wegwezen!” De conducteur geeft Jozef een duw. Jozef tuimelt achterwaarts de trein uit, kan zich nog net overeind houden, herpakt zich snel. Zijn vastberaden gezicht staat ineens verslagen. De conducteur trekt de deuren dicht.
De trein trekt op. Hans pakt zijn koffer en gaat in de tweede klasse zitten. Nog voordat ze het station helemaal hebben verlaten heeft hij al een sigaret opgestoken. Buiten schijnt de zon. Het belooft een warme dag te worden. Misschien neemt Jozef de volgende sneltrein naar Utrecht, die vertrekt over een uur, denkt hij. Zodra ik daar ben aangekomen moet ik me onzichtbaar maken.
Dan lacht hij, eerst zacht, dan hardop. Een paar medereizigers draaien zich verbaasd om en schudden hun hoofd. Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers, zie je ze denken.
Chapter 11: Domstad
Summary:
Hans Sievez komt aan in Utrecht.
Chapter Text
De reis heeft amper een uur geduurd, maar het is de langste van zijn leven geweest. Toen de trein in Ede stopte, zo dicht bij Lunteren, waar hij talloze avonden met het bijwonen van diensten heeft verbeuzeld, heeft hij in het toilet geschuild en is er pas bij Veenendaal weer uitgekomen.
Het centraal station van Utrecht is een bijenkorf van aankomende en vertrekkende reizigers. Op het mededelingenbord leest hij bestemmingen als Den Helder, Rotterdam, Breda en Keulen. Die steden interesseren hem niet. Hier is zijn eindhalte.
Op het postkantoor tegenover het station raadpleegt hij een telefoongids. De Trekschuit blijkt aan het Janskerkhof te liggen. Hij kijkt op een plattegrond bij een bushalte en ziet dat de kroeg bijna op loopafstand is. Hij neemt toch maar de bus, zijn hechtingen doen inmiddels weer flink zeer.
Het loopt tegen twaalven, hij is kroegen gewend die pas om vijf uur openen, maar De Trekschuit zit al aardig vol met drinkende en biljartende studenten. Hij bestelt een glas pils en gaat aan een tafeltje bij het raam zitten. Dit heeft hij nooit eerder gedaan. Ruiken de anderen het aan hem? Hij is onberispelijk gekleed als een kleine spitsburger van het platteland, en zijn leeftijd verraadt dat hij hier niets te zoeken heeft.
Het wordt een uur. Dan twee uur. Hij bestelt het ene glas bier na het andere. Dronken is hij van zijn leven nog niet geweest, nu wel. De pijn in zijn knie is te verwaarlozen.
En dan, tegen drieën, stapt de blonde man binnen, zonder overjas of hoed, gekleed in een luchtig sportcolbertje, een tricot en een linnen tennisbroek. “Verrek, daar heb je die zeurkous weer!” roept een student die met een groepje kornuiten bij het biljart staat. “En, hebben ze je in Arnhem geroyeerd? Je ziet eruit als een uitgescheten erwt, kerel.”
“Hou jij je waffel eens en fuif me op een biertje, ik heb er nog een van je tegoed, lamzak”, geeft de aangesprokene onverschillig terug. Hij kijkt rond en dan blijven zijn ogen op Hans rusten. Er verschijnt een bezorgde glimlach om zijn mond. Dan loopt hij naar het tafeltje toe.
“Meneer Sievez!” zegt hij zacht. “U hier? Maakt u het goed?”
“Mag niet klagen”, murmelt Hans. Ik ben strontlazerus, denkt hij. Dan barst hij in lachen uit.
“Ik neem aan dat u in Utrecht bent voor zaken?” probeert Van Bingerden dan. “Het geeft geen pas om in het openbaar over iemands medische conditie te spreken, maar zo’n lange reis zo kort na een operatie is bepaald onverstandig.”
“Voel er niets van”, mompelt Hans. “Ze hebben me goed ingezwachteld. Drinkt u iets van me?”
Van Bingerden knikt en gaat tegenover hem zitten. Zijn gezicht verraadt de nervositeit van een student die op moet voor zijn allesbepalende examen. “Doe eens niet zo laf, Arnold!” roept de andere student. “Als je van mij een pilsje wilt, moet je wel een potje met me spelen.”
“Later!” roept Van Bingerden terug. Nu weet Hans zijn voornaam.
Er komt een ronde bier, koud, schuimend, weldadig. Ze drinken. “Proost dan maar, op uw examen”, grijnst Hans. “Dat ik mag zakken als een baksteen, dan heb ik ’t tenminste achter de rug”, zegt de jonkheer. “Maar het is verdomd attent van u dat u me een drankje aanbiedt.”
“Noem me Hans, alsjeblieft.”
“Dat mag ik niet, kan ik niet.”
“Dit is een studentenkroeg. Zijn mensen soms niet informeel hier? Hoe jong ben je, als ik vragen mag?”
“Achtentwintig.”
“Oud genoeg om te weten dat jij en jou zeggen niet bezwaarlijk is als een ouder iemand je erom vraagt. Ik ben Hans. Vergeet mijn achternaam, die heeft me enkel verdoemenis opgeleverd.”
“In orde dan…Hans…Ik heet Arnold. Drink toch niet zoveel.”
“Ben je m’n moeder soms?”
“Nee, maar wel een arts in opleiding, ik…”
“Mag ik u nog een rondje brengen?” vraagt de moederlijke cafébazin, een walgelijk opgedirkt mens met een haarknot als van een cabaretmeid.
“Bier, tante Suus, bier”, lacht Arnold. “Doe er voor ons elk maar een spatje ouwe klare bij. Vandaag ga ik niet meer boven m’n boeken zitten.”
Chapter 12: Achter de Dom
Summary:
De jonkheer troont Hans mee naar zijn studentenkamer.
Chapter Text
Tegen vijven verlaten de twee mannen wankelend de kroeg en begeven zich naar een lunchroom een straat verderop. Arnold bestelt voor elk een croquet, een huzarenslaatje en een glas melk en staat erop voor het maal te betalen. “Ik krijg een ruime toelage van m’n ouwe heer”, legt hij uit. “Ik weet alleen niet of hij me nog wat zal geven als ik volgende week voor m’n examen zak.”
“Wat dan?” vraagt Hans.
Arnold haalt zijn schouders op. “Geen idee. Me melden voor militaire dienst. Mijn meldingsplicht is opgeschort vanwege mijn studie, maar ze nemen me zo. Ik zou het als hospik niet slecht doen. En ik spreek m’n talen, misschien kan ik zelfs wat betekenen bij de geallieerden die in Duitsland gestationeerd zijn. Ik vind wel wat.”
Na jaren in Utrecht heeft zijn uitspraak het harde van deze contreien aangenomen, met iets studentikoos dat Hans van hoorspelen op de radio kent.
Als het zes uur slaat, betaalt Arnold de rekening en helpt Hans in zijn regenjas. “Kom, laten we naar mijn kamer gaan”, beslist hij. “Dat is maar honderd meter lopen, red je dat? Het is een verrukkelijk appartementje boven een wasserij, met uitzicht op de Domtoren. Ik heb een reservematras en mijn huisbaas zal het niet erg vinden.”
“Hoezo niet?” vraagt Hans, aan Jozef denkend, die hem zo vaak al heeft uitgenodigd om op zijn kamer in de Schilderswijk te overnachten.
Arnold lacht. “Mijn verhuurder is een keurige man, zijn wasserij is de beste in de stad, maar hij is zo rood als de pest. Van huis uit is hij katholiek, vandaar dat mijn moeder me toestemming gaf om er te gaan wonen toen ik aan mijn studie begon, maar hij voelt zich eerder schatplichtig aan Moskou dan aan Rome. Een beste kerel is hij.”
Op straat neemt Arnold Hans’ arm en leidt hem. “Slow and steady wins the race”, zegt hij erbij.
Het appartement van de jonkheer, op de derde verdieping van een oud pand aan Achter de Dom gelegen, bestaat uit twee ruime kamers en een badkamer. Het ziet er wanordelijk uit, maar op een nette manier, met tafeltjes die inzakken onder stapels boeken en overvolle asbakken. Aan de muren hangen portretfoto’s van de familie en een paar naaktstudies. Een studentenhok, hoewel de bewoner eigenlijk geen student meer is.
“Ga jij maar in mijn bed liggen”, zegt Arnold, op een toon die geen tegenspraak duldt, als vader ooit, als Margje. Niet als Jozef, die onder zijn strengheid niets dan wanhoop verbergt.
“Ik voel me best, het is nog vroeg.”
“Je moet rusten, je zieke been moet plat liggen. Laat me de hechtingen eens bekijken.”
Behalve op de dag waarop hij voor militaire dienst werd gekeurd heeft Hans nooit zijn kleren onder de ogen van een andere man uitgedaan. Hij gaat op het bed zitten en wurmt zich uit zijn broek. Gelukkig kan hij zijn onderbroek aanhouden, een katoenen exemplaar dat tot halverwege zijn dijen gaat, niet van die hoog opgesneden Amerikaanse rommel. Arnold knielt voor hem en maakt de zwachtels los. Hij bekijkt het litteken uitvoerig met een scheerspiegel en fluit dan getergd. “Dacht ik het niet, één hechting is gesprongen. Ik kan zien dat er te veel druk op de wond heeft gestaan. Ik heb geen chirurgisch draad hier, ik zal er een pleister op plakken, en dan maar hopen dat het snel dichtgroeit.”
Hij reinigt de wond met lauwwarm water en wat zout, “Dat prikt minder erg dan jodium”, en wikkelt de knie dan in een vers drukverband. “Lust je een kop thee? Suiker? Melk heb ik niet.”
“Zonder suiker graag”, zucht Hans. Hij is in de kussens gaan liggen. Het bed ruikt naar Arnold, naar lelies en verbena. Arnold reddert wat bij een eenpits gasstelletje en brengt hem dan een mok geurige, hete thee. Het is het lekkerste dat Hans ooit heeft gedronken, het maskeert de smaak van de twee aspirines die de gastheer hem heeft opgedrongen. Dan valt hij in slaap.
Chapter 13: Nacht
Summary:
Hans en Arnold.
Chapter Text
Hij hoort een kerkklok slaan. Iemand roept om hem. Ze komen hem halen. Als hij overeind vliegt, rillend, bezweet, beseft hij dat hij niet naast Margje in zijn eigen bed in Velp ligt. In de voorkamer brandt nog licht. Nu weet hij het weer. Hij is in Utrecht.
De fosforescerende wijzers van zijn horloge wijzen drie uur aan. De klok van de Domkerk moet hem hebben gewekt.
Vanuit de voorkamer hoort hij de tik van een benzineaansteker en het geritsel van bladen. Arnold zit nog te studeren. Hans gaat weer liggen en probeert te ontspannen. Als hij op het punt staat om in slaap te vallen, hoort hij een suizend geluid. Een nachtbries? Er staat een raam open. De kamer ziet blauw van de sigarettenrook.
Moeizaam klimt hij uit bed. Hij weet dat hij er nu uitziet als een achterlijke boer met zijn mouwloze geribde onderhemd en zijn ouderwetse onderbroek, spullen die Margje in de dorpswinkel in Velp heeft gekocht omdat de Bijenkorf in Arnhem te duur is.
Langzaam schuifelt hij naar de voorkamer. Hij wist meteen al waar dat vreemde geluid vandaan kwam, nu is het zeker. Arnold zit aan zijn bureau, verkrampt boven zijn boeken en dictaten. Hij huilt.
Dan draait hij zich om. “Alles goed?” vraagt hij. “Moet je naar het toilet? Kom maar, ik zal je helpen.”
“Nee. Wat is er met jou? Moet je niet naar bed?”
Arnold schudt zijn hoofd. “Hoe kan ik? Ik zit nu mijn leerstof van mijn maanden in het Diaconessenhuis door te nemen, en niets beklijft…helemaal niets! Ik wil tot volgende week wakker blijven en blokken tot dat verdomde examen achter de rug is.”
Hans verplaatst zijn gewicht op zijn gezonde been. “Dat zal je niet lukken. Kom, ga eens in je eigen bed liggen, ik tuk wel door op de sofa.”
Nu staat Arnold op, wankelend, snikkend. Heeft hij gedronken, na al dat bier dat hij die middag naar binnen heeft gegoten? Maar hij knipt het bureaulampje uit en schuifelt naar de achterkamer. Hij legt zijn bril op het nachtkastje en ontdoet zich achteloos van zijn bovenkleren. Hij draagt geen onderhemd, enkel een ouderwetse onderbroek, misschien wel een uit die walgelijke troepwinkel in Velp.
“Kom, ga liggen”, zegt Arnold, en hij helpt Hans voorzichtig in bed, als een volleerd ziekenzuster. Dan kruipt hij bij zijn gast, niet onwennig, maar met tact om hem niet te na te komen.
Hij zucht diep. Alles is nu donker, maar zijn groene ogen zijn nog goed te zien.
Als verdoofd legt Hans een arm om hem heen. Geen weerstand. “Het komt goed”, fluistert Hans. “Slaap nu maar, ik blijf bij je.”
Arnold sluit zijn ogen en schuift wat dichter tegen Hans aan. Zijn gladde huid voelt koel en warm tegelijk aan, als een tuin na een weldadig milde zomerse regenbui. Dan wordt zijn ademhaling dieper en regelmatiger. Hans brengt zijn lippen dicht bij de gladgeschoren wang, kust niet, weet niet of hij nu al zo ver mag gaan. Nu weet hij wat Jozef al die jaren heeft aangevoeld en kuis heeft verzwegen.
Jozef Mieras heeft hem van het begin af aan begeerd, als een geliefde, een neiging waar Jozef zich heel bewust van is geweest, of waarom anders heeft hij de leer van de broeders omarmd? Met het oogmerk om zich te louteren, om de zonde met wortel en al uit zijn ziel te rukken. “Laat het je smaken, Hansje.” “Kom mee naar mijn kamer.” Jozef heeft altijd geweten dat er in zijn vriend eenzelfde verlangen sluimerde, en ook dat hijzelf te lelijk was om ook maar enige hoop op meer dan vriendschap te koesteren.
Hans denkt aan de blonde man die hij twintig jaar geleden bij het kruidenierswinkeltje in Lathum uit zijn auto heeft zien stappen. Een knappe man. Arnolds vader. Arnold lijkt op hem, maar Arnold is oneindig veel mooier. Zijn lach is echt, net als zijn verdriet. Zijn lijden is tastbaar, reëler dan wat de broeders elke huichelaar of afvallige in het vooruitzicht stellen. Hij vreest dat hij zijn examen niet zal halen, niemand zal zijn, net als Hans Sievez, die naar Utrecht is gereisd om bij hem bij te kunnen staan, Hans Sievez, de zondaar die nu pas begrijpt welke zonde jarenlang in hem heeft gewoond en die zich nu gelukkiger voelt dan ooit tevoren, want hij houdt een jonge man in zijn armen die lieflijker en begeerlijker is dan enig ander schepsel op Gods aarde.
Chapter 14: Thuisfront
Summary:
Hans geeft zijn vrouw een teken van leven.
Chapter Text
De dag daarop leidt Arnold Hans twee trappen af naar het kantoortje van de huisbaas van de wasserij. De eigenaar is nergens te bekennen. “Bel je vrouw, ze moet weten dat je het goed maakt.”
Hans gehoorzaamt, moet lang nadenken voordat hij zich het kengetal van Velp herinnert, want naar huis bellen doet hij anders nooit.
“Kwekerij Sievez, goedemorgen.” Een beheerste stem.
“Margje…!”
Ze hapt hoorbaar naar lucht. “Hans…! Waar zit je? Ik had je gistermorgen thuis verwacht, de zuster had me nog gebeld dat je was ontslagen, maar…”
“Ik verblijf bij een vriend in Bunnik. Ik ken hem nog van mijn militaire diensttijd en…”
Ze uit een schamper lachje. “Dat is dat heerschap in die zwarte overjas me nog komen vertellen. Leuke vertoning, want Ruben stond erbij.”
“Wat, moest hij niet naar school dan?”
“Hij vertikte het om te gaan. Hij voelde dat er iets was. Ik had geen zin om hem een donderpreek te geven want de verzekeringsagent was net teruggekomen om z’n schadebestek af te maken. Het rapport moet hij ons nog sturen. Het ziet ernaar uit dat we zeventig procent van de waarde vergoed krijgen. Beter dan niets.”
“Waar is Ruben nu?”
“Geen idee. Vanmorgen aan het ontbijt zei hij nog dat het toch geen zin had om naar school te gaan, want in de laatste dagen voor de vakantie leren ze er toch niets, ze ruimen wat op en houden speurtochten. Ik heb net de bovenmeester aan de telefoon gehad, wat die zei zal ik maar niet herhalen. Heb je het goed bij je vriend in Bunnik?”
“Het gaat wel. Volgende week hoop ik weer thuis te zijn.”
“Hans…?”
“Ja, lief?”
“Is het een vriend? Of is het…?”
“Nee, dat niet. Gewoon een vriend.”
“Geef me zijn nummer.”
“Hij heeft geen telefoon. Ik sta op het postkantoor.”
“Ik hoor de bel bij de poort gaan. Dat is Wiegersma die een bestelling komt halen, denk ik. Hou je goed, tot horens.” Klik.
Hij legt de hoorn op de haak en kijkt naar Arnold, die discreet in het halletje heeft staan wachten.
“En?” vraagt Arnold.
“Ik heb niet de indruk dat mijn vrouw me erg mist.”
De andere man knikt. “Kom, ga boven weer in bed liggen, ik zal je thee geven en dan ben ik een paar uur weg om in de bibliotheek wat te werken. Onderweg zal ik eten voor later inslaan…Kom, schiet op, het tocht hier, je mag geen kou vatten.”
Chapter 15: Hora Est
Summary:
Arnold gaat op voor zijn examen.
Chapter Text
De dagen worden voelbaar warmer. In Arnolds kamer staan de balkondeuren van vroeg tot laat open. Vanuit de steeg weerklinkt vrolijk gekwetter van kinderen en het toegeeflijke gebrom van hun druk winkelende moeders. Het is bijna vakantie.
Arnold studeert van de morgen tot de avond en last af en toe een pauze in om met een sigaret en een kop koffie bij Hans te zitten. ’s Nachts slapen ze samen, dicht tegen elkaar aan. Voordat Arnold het lampje op het nachtkastje uitdoet kussen ze elkaar welterusten.
Dan breekt de dag van het examen aan. Het begint om tien uur en zal tot halfvijf duren. “Daarna gaan we samen ergens eten”, belooft Hans, hoewel hij maar tien gulden in zijn portemonnee heeft, amper genoeg voor twee croquetten en slaatjes in een lunchroom.
Hans wil mee naar de universiteit. Arnold protesteert. “Je zult urenlang op een harde bank in de hal zitten, tussen nerveuze en speculerende ouders die hun kinderen willen zien slagen.”
“Zijn jouw vader en moeder erbij?”
“Nee, ik heb ze gezegd dat het examen pas volgende week is. Vanavond zal ik ze bellen en de uitslag doorgeven en dan te horen krijgen dat ze me acht jaar lang voor de kat z’n kont een toelage hebben gegeven.”
Maar Hans is onverbiddelijk. Uiteindelijk gaan ze samen, met de bus.
In de hal voor het auditorium is het broeierig warm. Dames in veel te warme overjassen en met belachelijke zondagse hoedjes op zitten snikkend op de banken. Ze voeren kakelende gesprekken met heren die sigaren rokend en zacht mompelend heen en weer lopen. “Dat jong heeft er met de pet naar gegooid, moeder, was hij maar bij de marine gegaan…Kunnen we hier ergens geen jenever krijgen?” “Nee, moeder, ik hoef geen broodje, je hebt een picknick voor een heel weeshuis in je tas zitten.” “Laten we een taartje gaan eten in de stad, man, daarna kunnen we terugkomen.” “Het geld groeit me niet op m’n rug, moeder.”
Hans heeft nog maar weinig last van zijn hechtingen. De wond is goed geheeld, daar heeft Arnold voor gezorgd. Arnold heeft zelfs beloofd eigenhandig de draadjes te verwijderen, zijn laatste goede daad als arts in opleiding, want na vandaag zal hij voer voor het leger of de steun zijn.
Om halfeen komt Arnold het auditorium uitlopen. “Laten we in de mensa wat eten”, stelt Hans voor.
“God, nee, ik ben straalmisselijk, aan een kop koffie van het stalletje van de pedel heb ik genoeg. En ik wil roken. Verdomme, ik moet nú een sigaret.”
Ze staan een beetje verloren in de tuin voor het gebouw. In de populieren kwetteren de spreeuwen.
Om één uur gaat Arnold weer naar binnen. Om kwart over drie drinkt hij in de hal een kop thee en verdwijnt dan weer naar de slachtbank.
Het is vier uur als alle studenten de hal inzwermen, moe, verheugd, verslagen. Ouders vliegen op ze af, bieden eten en drinken aan, stellen honderd vragen. Arnold mijdt de andere examinandi als de pest. Natuurlijk om niet te horen wat zij als antwoord op de vragen van de professoren hebben gegeven.
Om kwart over vier stelt de pedel zich bij de deur van het auditorium op en roept de namen in alfabetische volgorde af. Aafjes, Akkermans, Bakker, Bervoets. Een voor een gaan de studenten naar binnen. Een voor een komen ze naar buiten. “Godverdomme”, zegt een zwartharig jongmens tegen zijn wachtende vrienden. “God-en godverdomme, vuile tering, hoerenlopers.” Er blijkt niet uit of hij geslaagd of gezakt.
“Van Bingerden”, roept de pedel. Arnold gaat met gebogen hoofd naar binnen. De deur wordt zacht achter hem gesloten. Hij blijft langer weg dan zijn voorgangers. Vijf, zes, zeven minuten.
Dan gaat de deur weer open. Arnold loopt langzaam. Zijn gezicht is gezwollen, zijn bril heeft hij in zijn borstzakje gestoken. Hij huilt met een zakdoek tegen zijn mond.
“Jezus, ze hebben je goed door de vleesmolen gehaald”, zegt een medestudent tegen hem. Arnold knikt en gaat dan bij Hans staan.
Hans voelt het litteken op zijn knie schrijnen. Hij weet dat hij elk moment kan flauwvallen. “En?” weet hij uit te brengen.
“Een negen”, zegt Arnold toonloos, bijna onhoorbaar. “Een negen.”
Chapter 16: Godenmaal
Summary:
Arnold en Hans vieren Arnolds succes met een diner.
Chapter Text
In het campuspark is een spontane fuif losgebarsten. “Godverdomme”, roepen de jongelui tegen elkaar. “We hebben het gehaald, godverdomme. Nooit meer in een collegezaal zitten, nooit meer in flamoezen van ongewassen volksvrouwen kijken en er niet voor betaald krijgen…Vanaf nu krijgen we geld voor elke pik of pruim, dat moet begoten worden.” Nergens zijn ook maar ouders of broers of zusters te bekennen, dit wordt een met jenever besproeide zwanenzang om afscheid van het studentenleven te nemen.
“Bel je ouders toch”, dringt Hans aan als hij en Arnold naar de bushalte wandelen. “Ze zullen flauwvallen van pure blijdschap! Hun zoon is arts geworden.”
Arnold, beheerster dan voorheen, schudt zijn hoofd. “Dat komt later, ik ben nu nog te nerveus om een zinnig woord uit te brengen. De diploma-uitreiking is volgende week, pas dan kan ik me echt arts noemen, eerder niet…Man, ik verrek van de honger.”
Hans lacht en kijkt zijn liefde aan, die mooie, iets mollige blonde man met zijn rode konen en de lieve sproetjes rond zijn neus. “Ja, laten we nu een restaurantje opzoeken. Ik fuif, beloofd is beloofd.”
“Heb je niet een schadepost thuis? Van die hagelbui? Nee, je moet niet met geld smijten, en ik heb geen zin om en plein public met jou te dineren. Laten we bij een kruidenier wat voer inslaan, dan eten we thuis wel, dan zijn we tenminste entre nous.”
Het is bijna sluitingstijd. In allerijl bemachtigen ze brood, Hongaarse salami, paté de foie, Texelse schapenkaas, olijven en een paar flessen wijn. Arnold zeult alles twee trappen op, en dan zijn ze eindelijk alleen, in het tweekamerappartementje boven de wasserij.
Het is broeierig warm in de kamer. Buiten valt zacht de zomeravond. Ze liggen allebei op bed met enkel hun onderbroeken aan. Tussen hen in troont een dienblad met brood, wijn en delicatessen. Arnold eet en eet, hij heeft dagenlang vrijwel niets binnen kunnen houden. Hij vergeet daarbij de patiënt niet en voert hem lekkere hapjes. De drank hakt er goed in, nu kussen ze elkaar elke vijf minuten.
“Hou je een beetje van me?” vraagt Hans. De stomste vraag die je maar kunt bedenken, en daarom de meest baarlijke.
“Een beetje heel erg veel”, zegt Arnold. “Als jij niet bij me was geweest, was ik voor dat snertexamen gebuisd zoals ze dat in Vlaanderen zeggen. Jij bent van de goden gezonden.”
“Ach, kom…”
“En je bent mooi, zo mooi! Ogen als edelstenen, dat glanzende bruine haar, die gespierde armen en die zonneteint…”
“Ik ben maar een tuinder.”
“Ja, en ik ben een jonkheer die voor de kost tot aan z’n pensioen dag in en dag uit druipers, voetschimmel, pusbulten en gordelroos mag bekijken. Wie is er beter af?”
“Jij. Na de lagere school ben ik naar de ulo gegaan. Voor een halfjaar maar, ik haalde er alleen onvoldoendes. Toen ben ik maar gaan werken.”
Arnold bebotert een snee brood en smeert er dan duimendik paté op. “Daar, eet, er zit veel ijzer in, je moet aansterken…Jij hebt meer hersens dan veel professoren die me acht jaar lang hebben gekoeieneerd. En ja, ik ben helemaal smoor op jou. Raar eigenlijk, we schelen zestien jaar, je had bijna m’n vader kunnen zijn.”
“Ajakkes.” Hans slaat een hand voor zijn mond. Het ogenschijnlijk onschuldige woord is een verbastering van “Oh, Jezus”. Hij heeft met Christus gespot. Christus met z’n discipelenvriendjes, geen van allen ooit getrouwd geraakt, als ze honger hadden gingen ze bij Maria of Martha eten. Verwende moederskindjes. Hij hoort zichzelf lachen. Hij is zichzelf niet meer.
Chapter 17: Heuvels vol Balsemkruid
Summary:
Hans en Arnold - eindelijk.
Chapter Text
Het is twee uur in de morgen als Arnold geeuwend het dienblad van het bed haalt en de kruimels van de lakens klopt. Hij zegt dat hij moe is maar dat hij toch geen slaap zal kunnen vatten. Het examen heeft hem ziek gemaakt, zijn beste studiemakker is gezakt en mag pas over een jaar weer een poging doen. Aan zijn eigen toekomst wil hij ook niet denken. Geld heeft hij, maar bij lange niet genoeg om zich bij een praktijk in te kopen die hem aanstaat. Hij wil eerst een paar maanden luieren en misschien wat reizen, daarna zal hij wel zien.
Als ze onder het laken liggen met het licht nog aan steekt Hans een sigaret op. Hij kijkt naar de mooie man naast hem. Het Hooglied. “De zonen mijner moeder ontstaken in toorn tegen mij, zij maakten mij tot de bewaakster van hun wijngaarden. Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt…Zie niet op mij neer omdat ik donker ben, want de zon heeft mij beschenen…Ik zweer u, dochters van Jeruzalem, wekt de liefde niet op eer het haar behaagt…Laat mijn liefste in zijn tuin komen en eten van zijn beste vruchten.”
Voor hij het weet heeft hij Arnold gekust, lang, zinnelijk. Arnold slaat zijn ogen op en glimlacht.
Nu voelt hij de hardheid onder de dungewassen stof van zijn onderbroek, op een plek waar de broeders nooit over spraken. “Vuiligheid is iets voor de gevestigde kerken, een mens leeft alleen in volle vreze voor de Heere als hij zijn lichaam ontkent.”
Arnold merkt iets. “Gatverdamme, wat heb jij ineens? O, ik heb het ook. Jezus, ik heb het echt heel erg, moet je toch eens kijken.” Hij schuift het laken weg en trekt zijn onderbroek naar beneden. Zijn rozige geslacht staat fier overeind.
Hans heeft in zijn jonge jaren wat fluistergesprekken van collega’s op de kwekerij in Den Haag opgevangen. Hem, de pummel uit het Verre Oosten, hebben ze er nooit deelgenoot van gemaakt. “Heb je ’t al gehoord? De klabakken hebben Jan van de week uit een openbare pisbak in Scheveningen gesleurd. Hij stond er met een matroos, met z’n broek op z’n enkels. Henk heeft het gezien. Nou, Jan is er mooi klaar mee, die komt nergens meer aan de bak.”
Met zachte vingers trekt Arnold Hans’ onderbroek uit en begint dan zijn geslacht te liefkozen. Zo moet het voor Margje zijn als hij haar daar aanraakt, hemels, want nu hoort hij zich zuchten zoals zij doet.
Arnold kust hem. “Wil je me dan? Wil je me echt?”
Hans knikt. Hij heeft enkel een flauwe notie van wat mannen met elkaar doen, en het verbaast hem dat het hem geen walging inboezemt. Nee, het is verlangen, een ijzeren wil om Arnold helemaal te bezitten, hem te doen smelten in een zee van wellust.
Hij weet niet wat hem bezielt, maar nu rust zijn mond op Arnolds geslacht en verkent zijn tong de zachte voorhuid. Dan gaat hij, een beetje moeizaam, tussen de benen van zijn geliefde liggen.
Arnold gromt even als Hans in hem dringt, maar dan ontspant hij en bloost. Hij is nauw en gespierd, hij masseert Hans eindeloos, waarom heeft niemand ooit gezegd hoe zalig dit is?
“God, mijn God”, murmelt Hans tegen Arnolds lieve lippen als hij het voelt komen, en de andere man gaat met hem mee en ontlaadt zich.
Zwetend liggen ze in elkaars armen. “Ben ik te ver gegaan?” vraagt Hans.
“Nee, maar heb jij dan geen pijn? Je hechtingen?”
“Laat me maar gerust doodbloeden, ik heb alles gezien, het is volbracht.”
Ze lachen even, en dan laat Arnold lui een arm uit het bed bungelen om het nachtkastlampje uit te doen.
Chapter 18: Tuindorp
Summary:
Hans beleeft een zondagmiddag tussen zijn geliefde planten.
Chapter Text
Het is zondagmiddag, twee uur. Na dagen van regen schijnt er een fijn zonnetje. Volgende week is het Koninginnedag. Hij hoopt dat wie maar wil de verjaardag van de vorstin bij aangenaam weer kan vieren. Hem interesseert het niet zo. Zijn leven is beperkt tot dit huis en een paar tuinen in de buurt waar hij af en toe mag werken.
Langzaam loopt hij langs de bedden waar de eerste rozenstruiken vol in de knop staan. De toppen heeft hij in november nog ver genoeg teruggesnoeid zodat er aan de onderste takken grote bloemen zullen komen. Die zullen mooi staan in de kristallen vaas op de vleugel in de woonkamer.
Achterin de tuin ligt het groenteperk. Hij heeft hier in de herfst feloranje pompoenen en vuistdikke preien geoogst. Nu groeien er enkel uien, over een week kunnen de zaden voor de sla en de radijsjes de grond in. Slakken heeft hij hier nooit gezien.
Een uur geleden is Arnold door de dochter van een van zijn patiënten gebeld. Hij is meteen in zijn auto vertrokken. Dat hij nu nog niet terug is bewijst dat hij wacht op de pastoor die de zieke het laatste oliesel komt brengen, een geste van respect omdat hij het roomse geloof nooit helemaal heeft afgezworen.
Hans is bij het groentebed blijven staan. De haag bij het tuinhek is laag genoeg om een blik op het terrein erachter te bieden. Daar worden nu gemeentewoninkjes gebouwd, tot stil verdriet van het oude geld dat zijn eigen herenhuizen en landerijtjes in waarde ziet kelderen.
Hij plukt aan een lukraak opgeschoten distel die aan zijn grasmaaier is ontkomen en steekt dan een sigaret op. Als ik de auto op de oprit hoor voordat ik deze heb opgerookt, heeft de oude mevrouw Buisman het gered, denkt hij. Als ik hierna nog een sigaret kan wegpaffen is ze dood. Een kinderlijk spelletje. Hij moet om zichzelf lachen.
Een vreemd gevoel doet hem naar het hek aan de zijkant van het huis kijken. Daarachter ligt de oprit. Er staat geen auto. Wel een zwarte gestalte, verrassend genoeg zonder hoed. Hij vervloekt zichzelf om het feit dat hij Arnold, die het hek niet op slot wil doen om snel weg te kunnen als hij naar een spoedgeval moet, nooit heeft tegengesproken. De bezoeker bekommert zich niet om duidelijke afgrenzingen. Wie de Heere vreest, mag het Burgerlijk Wetboek negeren.
“Sievez”, zegt de man terwijl hij het tuinpad afloopt. “Dus hier ben je.”
“Wie heeft je gezegd dat je me hier kon vinden?”
“Een van de broeders heeft je hier in de tuin aan het werk gezien, en aan het stuur van een zwarte Peugeot met een esculaap op de achterruit.”
Jozef Mieras blijft staan en zet een bijna elegant dokterstasje neer dat minder boeken kan herbergen dan die vormeloze grote koffer die hij vroeger altijd meezeulde. Ze geven elkaar geen hand. Jozef weet dat hij Hans Sievez, de voor eeuwig verstotene, niet meer kan aanraken.
“Hoe gaat het met je vrouw?”
“Ze maakt het goed. Ze woont nu bij een tante in Arnhem, het oude mens is hulpbehoevend.”
Hij vertelt er niet bij dat Margje, die ooit elk goedkoop mopje van Lou Bandy op de radio kon meezingen, nu vrij geregeld aan de zijde van een fabrieksdirecteur in de loge van het Musis Sacrum te vinden is. Tsjaikovski. Stravinsky. Het is dat Arnold ook van zulke muziek houdt, anders had hijzelf het waardeloze rommel gevonden.
“En je zoon?”
“Die werkt nu in Duitsland. Monteur bij de kolenmijnen in Essen, het verdient goed.”
Ruben. Arme Ruben. Hij heeft de ulo na twee jaar zonder diploma verlaten en daarna wat op de kwekerij gewerkt. Vijftien maanden geleden is hij in het holst van de nacht op zijn fiets vertrokken zonder ook maar een briefje voor Margje achter te laten. Drie weken later kreeg ze een ansicht uit Göteborg. Ruben had als machinekamerhulpje op de grote vaart aangemonsterd. Een paar dagen geleden, tussen twee reizen door, is hij hier aan komen waaien, zomaar. Hij is nog maar zeventien, maar hij heeft tatoeages op zijn onderarmen, hij rookt zware shag, en in een havenkroeg in Tanger heeft hij het aan de stok gekregen met een Duitse matroos die hem een blijvend litteken boven zijn rechter wenkbrauw heeft bezorgd. “Ik woon bij dokter Van Bingerden in als zijn chauffeur en manusje van alles”, heeft Hans tegen zijn zoon gezegd. “Ik heb hier een mooie zolderkamer.”
Arnold was op dat moment goddank bij een patiënt, het heeft hem een kennismaking met Ruben Sievez bespaard. De jongen, wijzer geworden door zijn zeereizen, had anders meteen aangevoeld dat in dit aardige twee-onder-een-kaphuis in Abcoude geen meester en factotum maar twee geliefden wonen.
Maar Jozef Mieras, in de vijftig nu en ineens onverklaarbaar oud, laat zich niet voor de gek houden. “Dokter van Bingerden!” zegt hij. “Het is me wat.”
“Hoezo?”
“Zijn vader heeft onze prediker ooit aangegeven bij de politie, voor…”
Hans voelt een lach in zich opkomen. “Waarvoor?”
“Iets op het landgoed in Lathum, een knecht of een leerling van de landbouwschool. Een leugen natuurlijk, maar zo’n kleine snotneus geloven de mensen meteen. Onze goede oude meester is in de gevangenis gestorven.”
Jozef staart nu naar de neuzen van zijn afgetrapte schoenen. Het lijkt waarachtig alsof het hem spijt dat de wereld van zinnelijkheid aan hem voorbij is gegaan, dat zijn idool van zijn voetstuk is getuimeld en dat zijn vroegere vriend, de mindere, de onwetende, hier in goeden doen leeft, in Abcoude nog wel, dat net zo’n lommerijk tuindorp is als Velp.
“Heb je weer eens iets te koop?” probeert Hans.
“Nee. Geen mens leest tegenwoordig meer stichtelijke werken, ze luisteren allemaal naar zondagspreken op de radio. Soms wou ik dat ik communist was geworden, dan had ik nu nog ergens bij gehoord.”
“Woon je nog op jezelf?”
“Nee, bij mijn zuster in Leidschendam. Ze gunt me bij het avondeten nog niet het kleinste stukje mals vlees, dat is allemaal voor haar man. Ik krijg alleen de vetrandjes.”
Hans kijkt de man aan die hij ooit als vriend op waarde heeft geschat maar nooit heeft liefgehad zoals hij nu Arnold van Bingerden liefheeft. Jozef Mieras moet veel worden vergeven, het heeft hem in het leven nooit echt meegezeten.
“Ik ga maar weer eens”, zegt Jozef dan. “Koffie zul je me toch niet aanbieden, nog geen rotte ui uit je moestuin. Maar ik draag je niets na, hoor.”
“Waar ga je heen?”
“Naar Amsterdam. Naar het Rijksmuseum, dat lijkt me nou zo aardig om te zien, ik ben er nooit geweest. Daarna ga ik bij Heck een croquet eten, denk ik.” Nu bloost hij een beetje.
Naar de Dappermarkt, dan een schietfilm in het Apollotheater en daarna laveloos worden in een kroeg aan de IJhaven, denkt Hans, dat ga jij doen, het is je gegund, kerel.
“Als mijn baas nu niet met de auto weg was geweest, had ik je even naar het station gereden”, zegt Hans.
Jozef glimlacht. “Ach, ik neem de bus wel. Het ga je goed, Sievez.”
En dan verdwijnt hij door het tuinpoortje. Het dokterstasje heeft hij op het pad laten staan. Hans opent het, vindt een vertaling van een roman van Gustave Flaubert, het laatste nummer van De Lach, een bladzij uit de Trouw waarop een kruiswoordraadsel hanepotig en verkeerd is ingevuld. Niets stichtelijks, ook geen sleutels of een portefeuille, die moet Jozef in zijn jaszak hebben zitten, hij zal waarachtig wel in Amsterdam kunnen komen.
Hans pakt het tasje met een zwierig gebaar op en deponeert het in de compostkuil. Met een spade schept hij er een dikke laag rottende aardappelschillen overheen. Leer vergaat snel, papier nog sneller. Dan hoort hij het zachte geronk van een automotor. Door het hek naast het huis ziet hij hoe de zwarte Peugeot 403 tot stilstand komt en de bestuurder uitstapt.
Daar is hij, jonkheer Arnold Christiaan George Bernhard van Bingerden, nu een ziekenfondsdokter die tevreden is met zijn werk en niet meer naar een plek in een praktijk taalt. Het is goed.
“Daar ben je”, zegt Hans. Ze kussen elkaar niet, er is hier nogal wat inkijk.
“Hoe is het met de oude vrouw?” vraagt hij als ze het pad naar de keukendeur oplopen.
“Stabiel. Ze lag in een crisis, maar toen de pastoor kwam fleurde ze op. Ze hebben samen nog Mens-Erger-Je-Niet gespeeld. Van heilig oliesel was geen sprake meer. Nou, toen ben ik maar vertrokken. Die gaat nog lang niet onder de zoden. Zelf zegt ze dat Onze Lieve Vrouw haar gebeden heeft gehoord. Dat geloof ik ook.”
Arnold blijft even staan en onderdrukt een grijns. “Toen ik daarnet langs de bushalte reed zag ik me daar een vreemd sujet, in een zwarte wollen jas. Hij stond rond te kijken alsof hij iets had verloren maar toen er een knappe jongeman in de abri ging zitten begon hij te glunderen alsof die kerel het achtste wereldwonder was. Hij kwam me zo bekend voor, ik denk…”
“Kom, laten we naar binnen gaan”, zegt Hans. “Dan zal ik thee zetten.”
Nu buigt Arnold zich voorover en plant een kus op de lippen van zijn geliefde. “Ja, fijn, daar ben ik aan toe.”
Chapter 19: Babylon
Summary:
Een bezoek aan een plek die veel herinneringen oproept.
Chapter Text
Hij is blij dat hij nu aan het stuur van een auto zit en niet in een bus. Hij weet zeker dat hij anders ergens was uitgestapt, gevlucht, zich in de eerste de beste kroeg had bezat. Er is veel veranderd. De Arnhemsestraatweg, ooit beklinkerd en in de oorlog kapotgereden door Duitse en later Geallieerde tanks, is nu geasfalteerd. De villa’s liggen er verlaten bij in de stille middaghitte. Natuurlijk zitten de bewoners buiten, maar dan in de achtertuin, zodat ze vanaf de straat niet worden gezien.
Hij remt bij als de poort naast het oude vrijstaande huis in zicht komt. De borden, door hemzelf in de crisisjaren beschilderd en opgehangen, zitten nog aan de spijlen. KWEKERIJ SIEVEZ. De letters zijn echter zo vervaagd dat iemand die de omgeving niet kent er niets van zou kunnen maken.
Het huis waarin hij met Margje en Ruben heeft gewoond is onherkenbaar. De gevel is witgeschilderd, op het dak troont een televisieantenne. Halfronde groene markiezen hangen als slaperige oogleden voor de ramen. Op elke vensterbank staan bakken met petunia’s en geraniums, bloemen voor de sier. Een poppenhuisje als in een oude Duitse heimatfilm.
Hij stopt naast het hek, zet de motor af en trekt de handrem aan. Dan voelt hij op zijn pols Arnolds zachte vingers. Arnold heeft tijdens de hele rit van Abcoude zwijgend naast hem gezeten, gerookt en aan de knoppen van de radio gemorreld. Nu kijken ze elkaar aan. Ook de jonge dokter is veranderd. Hij is nu vijfendertig en heeft, volgens de laatste mode, bakkebaarden laten staan. Ze zijn zo blond als zijn hoofdhaar, maar bij zijn slapen is al wat grijs te zien. Om zijn roze lippen speelt een begrijpende glimlach.
“Kun je het wel aan, lief? Het ziet er nu zo anders uit.”
Hans knikt. Arnold lijdt ook, misschien meer dan hijzelf. Ze stappen uit en lopen het grindpad naast het huis op. De tuin, belachelijk klein, is omheind door een dichte rij coniferen. Meteen daarachter loopt een verhard weggetje, langs de haag aan de ene kant en een hoog traliehek aan de andere.
“Krijg nou de tyfus”, mompelt Arnold. Zijn jaren als ziekenfondsarts voor de armsten der armen hebben zijn verzameling ongepaste uitdrukkingen in stand gehouden.
Bij het hek blijven ze staan. Waar ooit de kas, het heesterveld en de kweekbakken voor de varens lagen is nu een zwembad. Tien bij twintig meter ongeveer, turquoise betegeld. Een duikplank. Eromheen een gazon met ligstoelen, een houten huisje met een luifel dat als bar dienstdoet.
Geen ondiep badje met een glijbaan voor de kinderen, geen ijscokar. Deze plek is alleen voor volwassenen. Ergens schettert een radio. Summertime Blues van Eddie Cochran.
“Kijk nou toch eens, palmbomen van celluloid”, grinnikt Arnold. “Die echte die we vorig jaar op de Florida Keys hebben gezien waren veel mooier.”
Hans weet dat Arnold babbelt om hem af te leiden van wat zich zondig en schaamteloos in en om het bassin manifesteert. De vrouwen op de ligbedden zijn jong. Ze dragen witte of zwarte rubberen badmutsen, meer niet. Platte buiken, stevige, soepele borsten en harde tepels. Ze kwetteren met elkaar, roken, laten zakjes snoep rondgaan en nippen van glazen cola. Er loopt een man met een dienblad rond, denkelijk de underdog omdat hij shorts en leren sandalen draagt. Een van de vrouwen, naar de kleur van haar schaamhaar te oordelen een echte blondine, roept spottend iets naar hem, waarop hij verslagen in het houten huisje verdwijnt.
In het zwembad liggen jonge mannen, naakt, drijvend op het water of rondpeddelend op luchtmatrassen. Een van hen hijst zich op de rand en blijft dan staan. Hij is gebruind en gespierd. Een vrouw reikt hem een handdoek aan, waarmee hij zich met sensuele bewegingen afrost. Ze zoenen elkaar lang, en terwijl de vrouw weer op haar ligbed plaatsneemt, zien de twee gluurders dat hij een forse erectie heeft gekregen. Op een ander bed liggen nu twee vrouwen innig omstrengeld.
De handdoekenbrengster rolt op haar rug en spreidt haar benen. “Geef haar maar een goede veeg, Harry!” roept een andere man vanuit het zwembad hem toe en tikt op zijn eigen pols, waaraan een (hopelijk) waterdicht horloge zit. “Ik zal de tijd bijhouden. Als je haar drie keer in een halfuur laat klaarkomen, betaal ik vanavond voor het diner.”
De opgewonden man gaat op zijn vriendin liggen. Hij zoent haar overal, neemt er fijn de tijd voor, en dan glijdt hij in haar. Intussen zijn de andere twee vrouwen allang bezig. Hun kreetjes en lachjes overstemmen de radiomuziek. “Laten we naar de auto teruggaan, ik heb ’t wel gezien hier”, zegt Arnold tegen Hans. Als ze bij de Peugeot staan, steken ze elk een sigaret op en laten hun blikken door de omgeving dwalen. Ze willen elkaar niet aankijken.
Dan komt het. Onvermijdelijk. “Doet dit nou niets met je?” vraagt Arnold.
“Ik weet nog dat ik in de zomer van ’44 de blauwvarens aan het snoeien was. Opeens kwam ik iets tussen de bladeren tegen, ik moet het eerder niet hebben opgemerkt. Een centropogon die er wortel had geschoten. Er zat een paarse bloem aan met een diepe kelk en twee reusachtige stampers als voelsprieten. en Een tropisch gewas, misschien van een zaadje dat uit de oranjerie van de buren was overgewaaid. Margje en ik hadden die ochtend in de stookkelder naar Radio Oranje geluisterd en gehoord dat de Geallieerden Antwerpen hadden veroverd. We geloofden het niet, er ging genoeg flauwekulpraat rond om het moreel van de bevolking hoog te houden, maar toen ik die bloem tussen de varens zag wist ik dat het waar was, dat Nederland spoedig zou worden bevrijd.”
“1944”, zegt Arnold met een zucht, een lieflijk geluid. “Toen was ik vijftien. Mijn jongere zuster en ik woonden toen bij mijn tante aan de Eusebiusbuitensingel in Arnhem, op loopafstand van school, omdat het veel te gevaarlijk was om met de fiets of de bus vanuit Lathum te reizen. Honger heb ik in de oorlog nooit geleden, maar na vier jaar was bij mij de rek eruit. Ik ben toen wel naar de vierde klas overgegaan, maar leren viel me te zwaar, helemaal omdat ik na de evacuatie een jaar op een snertschool in Zwolle moest doorbrengen. Toen de bevrijders kwamen deed ik helemaal niets meer aan mijn huiswerk. Ik ben dan ook grandioos blijven zitten, en mijn examenjaar heb ik ook moeten overdoen.” Hij staart naar de punten van zijn glanzend gepoetste kalfsleren loafers. “Ik was twintig toen ik eindelijk m’n gymnasiumdiploma had…Ach, ik was niet de enige…Mag ik de autosleutels, lief? Laat mij nu maar rijden. Ik kan zien dat jij er nu te nerveus voor bent.”
Chapter 20: Noblesse
Summary:
Een bezoek aan het landgoed in Lathum.
Chapter Text
Het is een rit van hooguit vijftien minuten, meer niet. Het verbaast Hans dat vanuit zijn eigen vroegere woonplaats die van Arnold zo snel kan worden bereikt, maar ze zijn dan ook met de auto, en Arnold rijdt snel.
Het hek van het landgoed staat open. De weg naar de oprit is nooit geteerd, alleen een weinig opgehoogd, natuurlijk om het grote huis bij overstromingen toegankelijk te houden.
Het huis, weet Hans, is in de zeventiger jaren van de vorige eeuw gebouwd en is na de bombardementen in het laatste oorlogsjaar vrijwel intact gebleven. Het dak is nieuw, maar dat is ook het enige. De zandstenen gevel is donkergrijs verkleurd. De perken bij de ingang zijn niet beplant, enkel bedekt met een laag houtspaanders.
Arnold stopt naast de trap naar de voordeur en zet de motor af. Als ze zijn uitgestapt, kijkt hij rond. Behalve hun auto staat er alleen een goed onderhouden Ford op het erf. “Papa en mama hebben geen ander bezoek vandaag”, zegt hij. “Jammer.”
Dan gaat de deur open. Een vrouw van in de zestig, gekleed in een zwarte jurk, komt naar buiten en uit een verheugd kreetje. “M’n jongen!” roept ze. “Daar ben je dan!” Ze vliegt op Arnold af, slaat haar armen om hem een en zoent hem. “Dag tante Fieke”, lacht Arnold.
“U bent nog altijd de mooiste in het ganse land.” Dan kijkt hij Hans aan. “Mag ik even voorstellen, dit is mevrouw Geerkens, onze trouwe huishoudster en mijn surrogaatmama.”
De oude vrouw straalt. Dan knikt ze Hans toe. Hij begrijpt het. Handen schudden met het personeel doet men niet als men ergens op bezoek is, zelfs niet met iemand die de familie zo na staat. Arnold heeft nooit veel over haar verteld, maar nu weet Hans zeker dat ze hem als zuigeling heeft gebaad en verschoond. Misschien heeft ze hem zelfs de borst gegeven.
Mevrouw Geerkens leidt ze naar het terras achter het huis, waar meneer en mevrouw Van Bingerden aan een keurig gedekte tafel thee zitten te drinken. Arnold begroet zijn ouders met omarmingen en oogst zachte vreugdekreetjes. Ze zijn blij hem te zien, hij heeft het in Abcoude zo afschuwelijk druk dat hij amper de tijd heeft om ze te bezoeken.
De Van Bingerdens hebben de naam informeel en liefdadig te zijn. Toen Arnold zijn ouders telefonisch meedeelde dat hij zou komen logeren en zijn chauffeur zou meenemen, hebben ze gezegd dat er voor die man een logeerkamer beschikbaar zou zijn.
“Mag ik voorstellen, mama, papa, dit is Johannes Sievez, mijn onmisbare assistent”, zegt Arnold dan vrolijk. Hans geeft hun elk een hand, glimlacht en voelt het zweet onder zijn hemd uitbreken.
“Ga toch zitten, neem wat thee”, zegt mevrouw Van Bingerden hartelijk. “Hebben jullie een goede reis hiernaartoe gehad? Het is een flink eind rijden, en het is zo warm.”
Terwijl de huishoudster thee inschenkt en een schaal met minuscule sandwiches en petit-fours presenteert, vertelt Arnold dat de rit voorspoedig is verlopen en dat ze onderweg hebben geluncht.
“Sievez”, zegt zijn vader dan, en hij kijkt Hans aan, “een bekende naam. Kom je uit deze streek?”
Hans knikt. “Ja meneer, ik ben geboren en getogen in dit dorp.” Hij voelt dat hij niet tegen een edelman mag liegen, en bovendien komt de achternaam Sievez alleen in deze contreien voor.
Dan beseft hij dat de gastheer hem tutoyeert. Arnold heeft hem uitgelegd dat dit typisch is voor de Nederlandse adel, omdat vousvoyeren strikt genomen een hebbelijkheid van de burgerij is.
“De kwekerij in Velp”, ontdekt mevrouw Van Bingerden ineens. “Die had toch ook de naam Sievez?”
“Ja, ik heb het bedrijf tot 1957 gerund, mevrouw”, legt Hans uit, vreemd verheugd omdat ze hem met twee lieve groene ogen aankijkt. Een knappe vrouw is ze, hoewel ze al tegen de zeventig loopt.
Haar man merkt dan op dat het toch raar is verlopen op dat perceel. Iedereen dacht dat het in de familie zou blijven, maar de buurman heeft het in 1958 opgekocht en er een zwembad laten aanleggen. Het huis, met een stukje grond erbij als tuin, hoort er niet bij, dat heeft nu een andere eigenaar.
Hans kan alleen maar knikken. Hij hoopt dat het oude echtpaar niet weet wat zich nu in zijn voormalige domein afspeelt. Babylon. Lieflijke smerigheid die hij begrijpt, maar voor deze twee vrome mensen moet het een afschuwelijk idee zijn.
“M’n jongen, ik had je graag nog onder vier ogen gesproken”, zegt vader Van Bingerden dan tegen Arnold. De zoon verbleekt een weinig en frunnikt aan zijn gesteven servet. “Maar papa, is dat geen aangelegenheid voor Frederik? Hij is er nu niet.”
Ook dit weet Hans. Arnolds oudste broer, de heer van het landgoed, heeft een reeks operaties en radiotherapie ondergaan, is genezen verklaard en verblijft nu met zijn vrouw in Toscane om aan te sterken.
Arnold kijkt Hans aan, hulpeloos bijna. Wat zijn vader hem te zeggen heeft zal niet verheugend zijn.
“M’n lieve jongen, er is niets aan de hand”, helpt zijn moeder hem, “maar papa moet wat zaken met je bespreken voordat je op vakantie gaat. Frederik weet ervan, we handelen in zijn naam.”
Hans’ besluit staat vast. “Dan zou ik graag van de gelegenheid gebruikmaken om mijn vrouw in Arnhem te bezoeken. Alleen maar voor de thee.”
Margje is zijn vrouw niet meer. In 1960, vier jaar geleden, zijn ze gescheiden. Ze is inmiddels hertrouwd, met de fabrieksdirecteur die haar, zo is achteraf gebleken, al het hof maakte toen zij en Hans nog als echtpaar op de kwekerij woonden. Geen wonder dat Ruben zo’n zootje van zijn schooljaren heeft gemaakt, een kind van overspelige ouders moet veel vergeven worden.
Nu staat mevrouw Van Bingerden op. “Het gesprekje zal niet lang duren. Natuurlijk moet jij je vrouw gaan bezoeken als het zo afgesproken is, maar wil je niet eerst onze tuin zien? We hebben een heel perk met blauwvarens, nakomelingen van planten die we op jouw kwekerij hebben gekocht. Onze tuinman heeft ze al die jaren, zelfs in de oorlog, gestekt en geplant. Ze zijn ongelooflijk sterk.”
“Ja graag”, zegt Hans, die voorvoelt dat hij Margje die middag niet zal zien.
