Actions

Work Header

De Vlucht

Chapter 2: Eerste Afdruk

Summary:

De jeugdjaren van Hans Sievez.

Chapter Text

Zijn vader, een arbeider in de steenfabriek in Lathum. Altijd ontevreden. Betaald werk heeft hij alleen van april tot oktober, in de wintermaanden helpt hij de boeren bij de slacht. Zijn zoon, Hans Sievez, een jongetje dat het op school zo goed doet dat hij op woensdagmiddagen bij de bovenmeester een beetje Engels mag leren. Dat is nergens goed voor, vindt vader, die jongen komt later op de fabriek werken, hersens heeft ie niet.

Diensten bijwonen in de hervormde kerk, elke zondag. “De wegen Gods zijn soms moeilijk te volgen, maar Hij heeft het beste met ons voor”, zegt de dominee. Vader vindt het onzin. De gemeente wordt op een dwaalspoor gezet. Wie God wil begrijpen, moet meer zijn best doen, het mysterie doorgronden, want alleen dan zal de ware rijkdom zich openbaren. Moeder klaagt steen en been over de prijzen van kolen en turf en stoffen. Haar zoon moet in opgelapte kleren van zijn twee overleden oudere broers rondlopen, een schande. “Dat zijn maar aardse noden, vrouw”, zegt vader.

Dan, in het jaar dat Hans tien zal worden, de prediker die met zijn kleine gevolg in een aak de IJssel af is komen zakken. Een genootschap uit Emden in Oost-Friesland, dat ligt in Pruisen. Ze noemen zich vervolgden, nergens mogen ze een kerk stichten. Ze spreken heel aardig Nederlands. “De Heer heeft ons uit de steden en dorpen weggestuurd, zoals Hij indertijd met Mozes heeft gedaan. Wie een leven in de woestijn aanvaardt, verdorsting, ontbering, ziekte en dood, die zal op de Dag des Oordeels naast Zijn troon mogen staan.”

Vader bezoekt de bijeenkomsten die bijna elke avond op de aak worden gehouden. Hans moet mee. De preken zijn saai en onbegrijpelijk, maar vader drinkt elk woord in, brengt zelfs groenten uit de moestuin als geschenk mee. “Die waren voor in het vat, voor de winter!” zegt moeder boos.

“Aanvaard ons lot, vrouw”, geeft vader terug. “Alleen de armen zal de ware rijkdom van de goedertierenheid van de Heere deelachtig worden.”

Hans kan het niet helpen. Hij heeft de Heere lief, want Hij heeft alles geschapen, de bloemen en de planten, maar hij vindt stiekem dat goedertieren te veel als armetierig klinkt. En arm zijn ze, de familie Sievez. Margje van Renes zit bij Hans in de klas. Onder haar kraakheldere schortje draagt ze altijd een jurk van wol of ribfluweel. Haar vader is opzichter op de fabriek. Hans vindt haar het mooiste schepsel ter wereld, bijna net zo mooi als de Aston Martin van de Heer van Bingerden. ’s Nachts droomt hij dat hij het automobiel mag besturen en dat zij naast hem zit. Naar het einde van de wereld zullen ze rijden!

Als Hans twaalf jaar is, zegt de bovenmeester dat hij beslist toelatingsexamen voor de mulo moet doen. Moeder is in de wolken, maar ze huilt ook omdat er geen geld is voor kleren waarmee haar jongen zich na de zomer op de nieuwe school kan vertonen. Dat komt vader goed van pas. “Het jong blijft gewoon tot de achtste klas op de dorpsschool, en daarna gaat hij meteen op de fabriek werken, net als Piet en Dirk hebben gedaan.” Dat zijn twee oudste zoons daar zijn omgekomen bij een ongeval met een kiepkar weerhoudt hem er niet van zijn jongste kind naar dezelfde slachtbank te sturen.

Op een middag komt Hans thuis van school en vindt moeder bewusteloos op het pad tussen de groentebedden. Even later wordt ze op een draagbaar weggebracht en in de paardenkar van de buurman getild. Ze zullen haar naar het ziekenhuis in Doesburg brengen. Twee dagen later, de dag waarop hij toelatingsexamen had moeten doen, is ze dood. Ze wordt op het hervormde kerkhof in Lathum bijgezet, waar ze tot de Dag des Oordeels tussen de goddelozen moet liggen. “Hou eens op met dat gegrien”, bijt vader Hans toe. “Grote jongens huilen niet, die weten dat de wil van de Heere altoos rechtvaardig is.” Ze moeten het nu zonder haar redden. Klik.