Actions

Work Header

De Vlucht

Summary:

Van kindsbeen af is kwekerijhouder Hans Sievez vertrouwd met de sectarische leer van rondtrekkende predikers. Zijn leven wordt geheel en al door het Woord van de Heere beheerst, maar diep in hem broeit een zondig verlangen waar hij niemand deelgenoot van kan maken.
Zijn beste vriend en geloofsbroeder Jozef Mieras komt op de gekste tijden langs om hem aan zijn religieuze plichten te herinneren, of heeft Jozef misschien andere motieven?
De omslag komt als Hans daags nadat de toorn Gods zijn kas heeft verwoest een operatie in een ziekenhuis moet ondergaan. Vrijwel gedachteloos slaat hij op de vlucht, zijn gezin en zijn bedrijf achterlatend, en aanvaardt eindelijk wat en wie hij is.

Chapter 1: Een Patiënt

Chapter Text

Nooit heeft hij zijn leven helemaal begrepen. Hij heeft jarenlang gepoogd herinneringen, gebeurtenissen en impressies met elkaar te verbinden, een reis die moet eindigen met als doel de ontrafeling van het raadsel dat God is Alles heet. Het is hem nooit gelukt.

Vierenveertig is hij nu, hij leeft in het jaar 1957, thuis wachten zijn werk, zijn vrouw Margje en zijn zoon Ruben op hem. Gistermiddag heeft de toorn Gods hem getroffen, op zijn kwekerij aan de Arnhemsestraatweg in Velp. Terwijl de vuist van de Schepper woedde, zagen hij en Margje alles door het raampje van de stookkelder. “We zijn verloren!” riep hij tegen haar. “We zullen in het armenhuis belanden.” “Nee, nee!” zei ze met bevende stem. “We zijn toch verzekerd? Wat is gebeurd is afschuwelijk, maar het einde is het niet, en Ruben zit veilig op school. De onderwijzers zullen de leerlingen wel binnen houden tot de storm voorbij is.”

Aan zijn zoon had hij niet gedacht. De jongen was bijna twaalf, hielp ’s middags al ijverig mee in de kwekerij en was nergens bang voor. Erg goed waren zijn cijfers niet. Na de zomer zou hij in Dieren naar de ulo gaan, maar de bovenmeester had voorspeld dat dat te hoog gegrepen voor hem zou zijn. Ruben zou het nooit ver brengen in het leven. Wie zo beperkt was, miste de gave om God te vrezen. Iets om jaloers op te zijn, bedenkt zijn vader nu.

Toen de storm was geluwd gingen hij en Margje bij de volledig vernielde plantenkas kijken. Hij kon het niet verdragen, de glasscherven tussen de gesneuvelde violen en geraniums, het gescheurde zeildoek dat van de bak met de kalanchoës was gerukt. “Kom mee naar binnen, man, dan gaan we thee drinken”, besloot Margje. “En ik bel onze verzekeringsagent. Haal jij de polis even uit je bureaula? Het zal waarachtig wel goedkomen.”

Even later kwam Ruben thuis van school, verhit en nerveus. Hij huilde toen hij de kas vanuit het keukenraam zag. Toen liep hij naar buiten om naar het heesterveldje te kijken. Heesters zijn hersenloze planten, ze hadden het armageddon overleefd. “Niks opruimen, alles laten liggen totdat de verzekeringsagent de schade heeft opgenomen”, verordonneerde Margje.

Daarna keek ze haar man aan. “En ga jij morgen gewoon maar naar het ziekenhuis. Er is niets wat je kunt doen, ik red het hier wel in m’n eentje.”

Haar woorden en het verdriet van zijn zoon troffen hem op een plek waar niemand hem eerder had kunnen raken, zelfs zijn vader en zijn broeders niet. Niemand heeft hem nodig, oh, nou, één iemand, en diens aanwezigheid is niet bepaald verheffend.

Nu staat hij op de parkeerplaats voor het Diaconessenhuis in Arnhem, in zijn zondagse kleren en met een kartonnen koffer in de hand. Zijn buurman, die een auto heeft, heeft hem net afgezet. “Red je het verder wel, Hans? Nee, ik ga niet mee naar binnen, ik heb dadelijk nog een afspraak bij de notaris.”

Het is bijna tien uur, het tijdstip waarop hij zich bij de balie moet melden. Patiënt Johannes Sievez, geboren te Lathum op vijf februari 1913, met als diagnose een cyste in de linker knieholte.

Hij is nooit eerder geopereerd en kent ziekenhuizen alleen van de keren dat hij zijn stervende moeder mocht bezoeken en toen Margje, eerder dit jaar, na een miskraam was opgenomen.

Vandaag zal hij de ene zonde na de andere begaan. Het Diaconessenhuis is hervormd, verbonden aan een kerk waar enkel onwaarheden worden gepredikt. Hij wordt behandeld voor een aandoening die niet levensbedreigend is. “Een gaaf lichaam laten misbruiken in naam der wetenschap is een doorn in het oog van de Heere”, zeggen de broeders. “De Heere zendt beproeving en genezing zoals Hem dat goeddunkt. Wie dat niet aanvaardt, is verloren.”

Hij heeft hen nooit verteld dat hij zal worden geopereerd. Verzwijgen is hetzelfde als liegen, het is spotten met de wil van de Almachtige. Iets zegt hem dat hij het ziekenhuis niet levend zal verlaten. Hij hoopt het bijna.

Vijf voor tien is het, precies genoeg tijd om één sigaret te roken voordat hij naar binnen gaat. Hij steekt een Gold Flake op en kijkt rond. Arnhem is eigenlijk een mooie stad, denkt hij, en groot, hier zijn theaters en bioscopen en hogescholen, hier leeft het kwaad.

Om zijn gedachten te ordenen laat hij de ogenblikken van zijn leven aan zijn geestesoog voorbijgaan, als foto’s die hij maakt, tussendoor de lens bijstellend en dan weer het afdrukknopje bedienend. Klik.